Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

Het tuinwijkmodel

Een historisch antwoord op de woonproblematiek?

Tuinwijk
(foto: Nathalie De Coene)

Aan het eind van de negentiende eeuw werden steden steeds meer gezien als overbevolkte broeihaarden van besmetting, criminaliteit en sociale onrust. Van de wederomstuit sloeg men volop aan het fantaseren over veilige en geborgen gemeenschappen in het groen. Tezelfdertijd was zelfs tot de meest hardleerse delen van de burgerij doorgedrongen dat ze de erbarmelijke omstandigheden waarin een groot deel van de stedelijke bevolking noodgedwongen moest leven niet konden blijven negeren. Dat het tuinstadmodel, dat op al deze verzuchtingen inspeelde, op bijzonder veel bijval kon rekenen hoeft dan ook niemand te verbazen.

 

Saneringsnomaden

De wooncrisis van de negentiende eeuw wordt weleens toegeschreven aan de niet te stelpen toevloed van ontwortelde plattelandsbewoners die hoopten in de steden een beter bestaan te vinden. Een zuiver geval van overmacht dus. Maar veel belangrijker dan die toestroomzelf voor het ontstaan en vooral het aanslepen van de wooncrisis was hoe overheden en burgerij erop reageerden.
De houding van de overheden valt makkelijk samen te vatten: die deden niets omdat ze meenden het eigendomsrecht in geen geval te mogen schenden. Zo werd in Gent in 1852 een commissie aangesteld om te onderzoeken welke rol de stad kon spelen bij de volkshuisvesting. Na rijp beraad adviseerde die dat de bouw van arbeiderswoningen volledig moest worden overgelaten aan het privé-initiatief. Het gaf immers geen pas dat de stad met overheidsgeld de privé-eigenaars ‘oneerlijke concurrentie’ zou aandoen. Dat advies werd in dank aanvaard en ter harte genomen.
De gevolgen bleven niet uit: een aanzienlijk deel van de (kleine) burgerij en de middenstand stortte zich op de overigens bijzonder lucratieve speculatie in arbeiderswoningen, beluiken en huurkazernes. Het aantal woningen in beluiken nam tussen 1856 en 1890 met 81% toe (van 4.437 tot 8.038); ruim een kwart van de totale woningvoorraad. Kwaliteit was bij deze speculatiebouw van geen tel: gebruik van minderwaardige materialen, geen isolatie, nauwelijks licht en ruimte en een gebrek aan ook maar de elementairste sanitaire voorzieningen waren schering en inslag.

 

In de negentiende eeuw raasden regelmatig cholera-epidemieën door de steden die hun oorsprong vonden in de overbevolkte ‘stad in de stad’; de met piepkleine huisjes volgebouwde en achter deftig uitziende gevels verborgen beluiken. Al in de jaren ‘40 woonde zo een derde van de Gentse bevolking op nauwelijks drie procent van de oppervlakte. Toen in 1866 een nieuwe cholera-epidemie een recordaantal slachtoffers eiste, koos het overwegend conservatieve stadsbestuur resoluut voor ‘sanering’ en niet voor de bouw van nieuwe woonwijken. Het uitgangspunt dat volkshuisvesting een zaak was voor commerciële privé-initiatieven werd niet in vraag gesteld. Die sanering kwam neer op het slopen van krottenwijken om de stad te kunnen ‘verfraaien’ en de infrastructuur te verbeteren. Daarmee ontstond het fenomeen van de ‘saneringsnomaden’ die noodgedwongen van de ene naar de andere krottenwijk verhuisden, tot ze ook daar weggesaneerd zouden worden. Zo werden - terwijl grondeigenaars, immobiliënkantoren, bankiers, overheidsambtenaren en politieke mandatarissen fortuinen vergaarden met de transformatie van de stedelijke infrastructuur - de lagere klassen steeds meer opeengehoopt in overbevolkte achterbuurten.

 

"Het tuinwijkmodel moest de voordelen van de stad met die van het platteland combineren."

 

Howards tuinstad

Een van de velen die zich over dergelijke toestanden zorgen maakte en probeerde een alternatief te formuleren, was Ebenezer Howard, die in 1898 zijn Tomorrow : a PeacefulPath to Real Reform publiceerde (later heruitgegeven als Garden cities of tomorrow) dat aan de basis lag van de tuinwijkbeweging. Daarin werd een sociaal-ruimtelijk model gepresenteerd dat de voordelen van de stad met die van het platteland moest combineren. Howard wilde het beste van die twee werelden samenbrengen door industrie en bevolking uit de steden te halen en in nieuw te bouwen, zelfvoorzienende, zelfbesturende en gecontroleerd groeiende ‘tuinsteden’ met maximum 30.000 inwoners onder te brengen. Howard ging uit van gemeenschappelijk grondbezit en had een sociale ordening voor ogen gebaseerd op zelfbestuur, medezeggenschap en coöperatieve organisatie van de bewoners. Ruimtelijk zou de tuinstad georganiseerd worden rond een centraal gelegen park waarin ook de publieke voorzieningen gevestigd zouden zijn. Rond het centrale park zouden in opeenvolgende gordels de woningen met tuinen en kleine en niet-vervuilende industrieën gevestigd zijn. Daarrond zou nog een bredere groene gordel komen die moest instaan voor de voedselvoorziening en recreatie. De bevolking moest een afspiegeling zijn van de hele samenleving; alle rangen en standen moesten vertegenwoordigd zijn.

Deze voorstellen waren bepaald revolutionair, en het is dan ook niet verrassend dat ze nooit gerealiseerd zijn. ZelfsLetchworth, de tuinstad die door Howard zelf was opgezet als voorbeeldproject, week op belangrijke punten af van het model. Omdat de vakbonden niet geïnteresseerd bleken in het project was Howard genoodzaakt andere sponsors te zoeken. Die vond hij bij een groep zogenaamd ‘verlichte industriëlen’ waaronder zeepmagnaat Lever die eerder al het beroemde ‘modeldorp’ Port Sunlight gerealiseerd had. Maar deze sponsors bleken nu ook weer niet zó verlicht dat ze het idee van gemeenschappelijk grondbezit genegen waren. Ook wat betreft de bevolkingssamenstelling werd het model niet gevolgd. De bevolking behoorde voornamelijk tot de middenklasse, want de meeste huizen waren voor arbeiders te duur.

 

Niettemin werd Letchworthal snel een verplichte bestemming voor architecten, planologen en iedereen die met de huisvestingsproblematiek begaan was. Samen met de vele vertalingen en congressen gewijd aan Howards ideeën zorgden die bezoekers - die doorgaans bijzonder enthousiast bleken - ervoor dat het idee van de tuinstad algauw richtinggevend werd in het denken over stadsontwikkeling. Al was dat dan eerder in het afgeleide model van tuinwijken in plaats van tuinsteden. Ook werd er in verschillende landen verschillend omgesprongen met het model. In Duitsland en Oostenrijk bijvoorbeeld werd het model geradicaliseerd. Daar kreeg de tuinwijkbeweging een socialistisch karakter en werden tuinwijkprojecten tot stand gebracht op eigen initiatief van (arbeiders-)bewonersgroepen die hecht georganiseerde coöperaties vormden en zelf de bouw en het beheer regelden. Het groen rond de woningen werd ingericht als moestuin of boomgaard en er waren stallen voorzien voor het houden van vee zodat men ook in economisch moeilijke tijden kon overleven. Zo ontstonden complete wijken en (voor-)steden die konden ontsnappen aan het kapitalistisch huisvestingssysteem.

 

Tuinwijk 2
(foto: Nathalie De Coene)

 

Op zijn Belgisch

Bij ons zou men pas na de Eerste Wereldoorlog tuinwijken gaan bouwen. De enorme verwoestingen aangericht door het oorlogsgeweld hadden niet alleen voor een tekort van maar liefst 200.000 woningen gezorgd, ze maakten van België ook een interessant project voor architecten en planologen. De modernisten zagen er een kans in om eindelijk tot een stedenbouw te komen gefundeerd op sociale betrokkenheid. Ze slaagden erin een gedragslijn vast te leggen voor de in 1919 opgerichte Nationale Maatschappij voor Goedkope Woningen. Deze gedragslijn omvatte onder meer het tegengaan van privé-speculatie; het gebruik van moderne technieken om een nieuwe esthetiek te bekomen en geen individueel woningbezit, maar huurderscoöperaties. Deze gedragslijn brak met de officiële ‘huisvestingspolitiek’ (die zoals gezegd meer problemen veroorzaakte dan oploste) sinds 1850 en voor het eerst werd de volkswoningbouw niet meer bepaald door rendement, maar door het streven naar een optimale woonomgeving.

De maatschappij opteerde voor het tuinwijkmodel maar subsidieerde enkel de woningbouw, zodat de tuinwijken voor de gemeenschapsvoorzieningen aangewezen bleven op de nabijgelegen steden. Men nam dus vooral de vormelijke aspecten van het model over om aan stadsuitbreiding te doen; eerder dan de onderliggende, op gemeenschapsvorming gerichte ideologie ervan. Tuinwijken op zijn Belgisch zijn dus groene wijken van eengezinswoningen met bijbehorende tuintjes aan de rand van de steden.

Maar zelfs deze tuinwijken-light werden door de toenmalige overheid argwanend bekeken: men vreesde het ontstaan van gordels van ‘rode dorpen’ rond de steden. Ook de vormgeving van de wijken, vaak van de hand van modernistische architecten als Victor Bourgeois of Huib Hoste, werd maar matig geapprecieerd. Al heel snel, in1922, probeerde men het privé-initiatief en de eigendomsverwerving in ere te herstellen als centrale uitgangspunten van de volkshuisvesting. Het conflict bereikte een hoogtepunt in 1926 toen de regering weigerde de Nationale Maatschappij voor Goedkope Woningen nog langer te subsidiëren. Vanaf toen werden een (zo laag mogelijke) prijs, de kwantiteit en ‘hygiëne’ de uitgangspunten. Met de aanleg van hoogwaardige tuinwijken was het voorgoed afgelopen.

 

Ook de meeste Gentse tuinwijken dateren uit deze periode (behalve Malem dat, zeer uitzonderlijk voor een tuinwijk, van na WOII dateert). De eerste kwam er op initiatief van de Gentse Maatschappij voor Goedkope Woningen: de Bernadettewijk in St-Amandsberg, bestaande uit 143 woningen waarvan de cottagestijl verwees naar het Engelse voorbeeld. De woningen telden vijf kamers en beschikten elk over een tuin, wat in vergelijking met de toenmalige arbeidershuizen een ongeziene luxe was. De wijk was een succes, waardoor andere sociale huisvestingsmaatschappijen het voorbeeld volgden.Zo verrezen tuinwijken aan de Brugse Steenweg in Mariakerke (1921-1922), aan de Gentse Fraterstraat (1922), de tuinwijk Ter Heide in Gentbrugge (1922) en aan de Bellevuestraat in Ledeberg (1922). Kort daarop volgden nog een wijk aan de Zwijnaardse Steenweg (1924), de Goudenregenstraaten de Hofmeerstraat ten noorden van de Tuinwijklaan(1924-1927), de Halve Maanstraat in Sint-Amandsberg(1929) en de Eikstraat in Oostakker (1929).

Uit deze opsomming blijkt dat ook hier de tuinwijken aan de (toenmalige) stadsrand gebouwd werden. Ook valt op dat de meesten in het begin van de jaren twintig werden opgezet. Dat komt ondermeer omdat de regering in 1922 een wet weigerde goed te keuren die het mogelijk zou maken gronden te onteigenen ten behoeve van sociale huisvestingsmaatschappijen. Mede hierdoor kregen grondspeculanten - die ten gevolge van de oorlog toch al goed boerden - nog meer de vrije hand. Hierdoor werden de voor tuinwijken noodzakelijke grote oppervlakten al snel te duur.

 

Bij een evaluatie van de historische betekenis van de tuinwijken komen als positieve elementen de maatschappelijke betrokkenheid naar voor (die althans in theorie aanwezig was), de hoogwaardige aanleg en de niet-gehiërarchiseerde bebouwing.

Negatief daarentegen was dat het wonen er geïsoleerd werd van de andere activiteiten. De beoogde groepsvorming werd haast nergens gerealiseerd, de moderne vormgeving sprak de bewoners niet aan en de modernisten hielden bij hun ontwerpen nauwelijks rekening met de wensen van de toekomstigebewoners. Maar vooral: de tuinwijken hadden aan de slechte behuizing in de binnensteden niets veranderd.

 

KOEN DE STOOP

 

    Voornaamste bronnen:



  • Marcel SMETS: De ontwikkeling van de tuinwijkgedachte in België. Een overzicht van de Belgische volkswoningbouw in de periode 1830-1930; (Mardaga; 1977)
  • HJK Altes: Tuinsteden tussen Utopie en realiteit (THOTH 2004)