Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

Arua: ‘grenskoorts’ op de rand van Uganda, Congo en Sudan

Arua Uganda
(foto: Kristof Titeca)

‘Als je naast een rivier opgroeit, leer je vissen. Als je naast een grens opgroeit, leer je smokkelen.’ Zo vat een handelaar het leven in Arua samen. Arua is een Ugandese stad op het drielandenpunt tussen (Noord-)Uganda, (Oost)-Congo en (Zuid-)Sudan. Het gebied is één van de armste in Uganda,met bijzonder weinig werkgelegenheid: er is geen industrie, geen toerisme en in de buurt woedt altijd wel een oorlog die maar niet wil stoppen. Het meest waardevolle goed is er dan ook de grens, die voor een groot deel bepaalt hoe de stad eruit ziet, wie rijk en arm is en hoe jongeren hun toekomst zien. In de laatste dertig jaar is die grens zowel een redding als een last geweest.

 

Vluchtelingenstromen rond Arua

Arua ontstond in 1914 als koloniaal ankerpunt van de Britten voor Noordwest Uganda ofte ‘West Nile’. De stad werd in twee delen verdeeld: een luxueus deel voor de koloniale elite en de rest voor de lokale bevolking. Beide werden gescheiden door – noblesse oblige, je wordt nu eenmaal door de Britten gekoloniseerd – een gigantisch golfterrein. Deze koloniale blauwdruk is grotendeels bewaard gebleven. Alleen werd de plaats van de koloniale elite ingenomen door een nieuwe blanke elite: ontwikkelingswerkers die Arua gebruiken als basis om hun activiteiten in de regio coördineren.

Arua werd het centrum voor de coördinatie van de vluchtelingenstromen uit Sudan en Congo naar West Nile.Bij opflakkerend geweld staken vluchtelingen immers steeds de grens over naar deze streek - vooral bij de tweede Sudanese burgeroorlog van 1983 tot 2005 en bij de Congolese oorlog van 1998 tot 2003. Het golfterrein, dat nog steeds een centraal element in de stad is, vormt dan ook dagelijks het toneel voor een surreëel schouwspel waarbij de lokale elite tezelfdertijd probeert een balletje te slaan en de Congolese of Sudanese vluchtelingen van de holes weg te jagen.

De grens is echter niet enkel voor de Congolese of Sudaneseoorlogsvluchtelingen al vaak een redding geweest, maar ook voor de inwoners van Arua zelf. Wanneer de meest beruchte inwoner van West Nile, IdiAmin, in 1979 van de macht werd verdreven, vielen het Ugandese en Tanzaniaanse leger de regio binnen. Het grootste deel van de bevolking vluchtte daarop de grens met Sudan of Congo over, waar ze tot midden de jaren tachtig is gebleven. Hierbij ontstonden niet alleen vluchtelingenkampen, maar ook talloze rebellenbewegingen.

 

Florissante grenshandel

Vanaf 1986 (het jaar waarin huidig President Museveni aan de macht kwam) begonnen de Ugandese vluchtelingen langzaamaan naar Arua terug te keren. De periode in ballingschap had echter wel als gevolg dat een grote groep jongeren uit Aruaniet over een opleiding, middelen of land beschikte. In een regio waar geen industrie is, landbouw weinig opbrengt en toerisme ontbreekt, zijn er dan ook weinig manieren om te overleven. De belangrijkste bron van inkomsten is daarom de grens. Wanneer de overheid bijvoorbeeld als deel van een amnestieakkoord ex-rebellen een vergoeding uitreikte voor het indienen van hun AK47 geweren, deed ze dit aan het dubbele van de gangbare marktprijs in Sudan. Dit was natuurlijk een gouden zaak voor de lokale bevolking, die massaal op zijn fiets sprong om zich in Zuid-Sudan een paar AK47’s aan te schaffen.

Maar de grens wordt ook op een meer structurele manier gebruikt. De smokkelhandel vormt hierin een belangrijk element: goederen zijn goedkoop in Congo (er zijn immers bijna geen taksen), duurder in Uganda, en nog veel duurder in Sudan. Dus kopen de lokale handelaars goederen in Congo om ze vervolgens Uganda en Sudan binnen te smokkelen om ze daar aan een hogere prijs te verkopen. Al vanaf zeer jonge leeftijd halen kinderen goederen op in Congo en brengen ze op een veel te grote fiets Uganda binnen langs één van de vele smokkelroutes (in het district Arua alleen zijn er al zo’n 200 smokkelwegen). Onderweg moet wel uitgekeken worden voor paramilitaire groeperingen die de goederen in beslag nemen - tenzij hen wat geld toestopt wordt natuurlijk. Per dag wordt gemiddeld zo’n 14 000 kg suiker en zo’n 15 000 liter benzine per fiets de grens overgebracht. Ter vergelijking: de ‘officiële’ benzinestations verkopen dagelijks nog niet de helft van deze hoeveelheid. En dus zie je dagelijks een ganse karavaan de grens oversteken: vrouwen met stukken hardhout op hun hoofd, jongetjes op gammele fietsen met allerhande smokkelgoederen, een stoet zevendehandswagens die onopvallend met een gedemonteerd vliegtuig op hun dak de grens proberen over te steken en de grotere en meer georganiseerde smokkelaars die ganse trucks benzine en sigaretten de grens oversmokkelen.

 

Iconen van de illegaliteit

Lokaal worden de grote smokkelaars gezien als belangrijke rolmodellen en referentiepunten. Zo is er bijvoorbeeld een belangrijke groep handelaars in de stad die rijk is geworden door de smokkel van illegale goederen als sigaretten en benzine over de drie grenzen heen. Hun fortuin werd nog eens de hoogte in gejaagd door een alliantie met Oost-Congolese rebellen, waarbij ze een VN-embargobraken op het leveren van wapens aan die rebellen.

Maar het illegale karakter van de torenhoge winst van deze smokkelaars zal de rest van de bevolking worst wezen. Illegaliteit en legitimiteit zijn immers twee verschillende werelden. In een bijzonder arm gebied wordt rijkdom als het hoogst bereikbare goed gezien en worden rijke smokkelaars beschouwd als selfmade men die hun boontjes te week hebben gelegd op de enige plek waar het geld valt te rapen: de grens. En dus heerst er niet enkel goudkoorts, maar vooral ‘grenskoorts’.

In een gebied waar het merendeel van de bevolking (ook de overheidsactoren) overleeft door smokkel,is een term als ‘legaal’ dan ook grotendeels vervangen door het begrip ‘legitiem’. Een jongetje dat 100 kg suiker de grens over smokkelt, is legitiem. Een businessman die een paar vrachtwagens sigaretten de grens over smokkelt en vervolgens het lokale kerkkoor van nieuwe instrumenten voorziet ook. Een soldaat die de wet uitvoert door een smokkelaar zijn suiker in beslag te nemen is niet legitiem. Diezelfde soldaat die de smokkelaar wat geld vraagt om te mogen passeren is dan wel weer legitiem (‘we proberen allemaal te overleven’), hoewel dit illegaal is. Rijke smokkelaars zijn dan ook lokale iconen,echte rolmodellen voor de bevolking in het grensgebied. Veel kinderen verkiezen een carrière in de smokkelhandel in het niemandsland tussen Noord-Uganda, Oost-Congo en Zuid-Sudan boven een jeugd op de schoolbanken.

Andere notoire iconen zijn de OPEC boys, een groep petroleumsmokkelaars die op elke straathoek in Arua gesmokkelde benzine verkopen. Met hun levensstijl van vlug geld, blitse kledij (waarop die andere culturele iconen 50 Cent en 2 Pac prominent opduiken), blinkende motors, vrouwen, khat (een lokale stimulant) en opium (de lokale naam voor cannabis), lijken ze een Afrikaanse vertaling van bling bling na te streven en zijn ze een magneet voor jongeren.

 

De keerzijde van de medaille

Leven op de ‘rand’ heeft echter niet enkel voordelen voor de lokale bevolking. Op 9 januari 2005 werd een vredesakkoord getekend in Sudan waarmee een einde kwam aan een tweeëntwintigjarige burgeroorlog en waarmee de heropbouw van een gigantisch gebied kon starten. In het verwoeste Zuid-Sudan zijn echter haast geen basisproducten meer aanwezig. Tweedehands wagens, alcohol, generators, houtskool, motors,quasi alle voedingswaren – alles wat je je kan inbeelden moet er ingevoerd worden. Dus trekt iedereen uit Arua die wat geld heeft naar Zuid-Sudan om er voedsel, drank of andere producten te verkopen. Veel van die goederen worden eerst door handelaars uit Arua in Oost-Congoaangekocht aan een goedkopere prijs, de grens over gesmokkeld naar Uganda en vervolgens Sudan binnengebracht om daar met grote winst verkocht te worden. Maar die handel houdt ook risico’s in. Sudanese soldaten zijn bijzonder ruw en berucht (vele transporters tonen maar al te graag hun littekens van stok- of kettingslagen), en ook de slecht betaalde Congolese soldaten kunnen er wat van.

Door deze grote vraag naar goederen net over de grens zijn de prijzen in Aruabovendien pijlsnel de hoogte ingeschoten: de prijzen voor basisproducten als rijst of bonen zijn meer dan verdubbeld. Vaak is er ook een tekort aan basisgoederen: zo is er soms in gans de stad geen flessenwater te krijgen, maar wel Red Bull en valse Ipods uit Dubai. Ook de huurprijzen zijn sterk gestegen. Het gevolg is dat iedereen die niet direct bij de grensoverschrijdende handel betrokken is, uit de stad moet wegtrekken of zich tevreden moet stellen met één kleine maaltijd per dag – en uitzicht op het golfterrein. Maar dat zal de Arua Boys een zorg wezen. Johan Cruijff zei het al: elk voordeel heb zijn nadeel. Iets waar mensen uit Arua volmondig zouden mee instemmen. Een grens biedt niet enkel mogelijkheden, maar is ook een last om te dragen.

 

KRISTOF TITECA

 

De auteur is postdoctoraal onderzoeker aan het Instituut voor Ontwikkelingsbeheer en Management aan de Universiteit Antwerpen.