Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

Mijn eerste krot

p13_mijn eerste krot
(foto: freddy Willems)

Als er één domein is waarop ik mezelf als ervaringsdeskundige durf te etaleren, dan is het beslist het bewonen van panden in dubieuze staat. Zijn eerste krot, dat vergeet een mens nooit. Het was in mijn studententijd diep in de vorige eeuw, ik betrok een kelderkamertje in de Jozef Plateaustraat.

De muren waren mosgroen gekalkt, het soort klinische groen dat automatisch associaties oproept aan ziekenhuizen en dat een rustgevend effect schijnt te hebben, doch bij mij eerder irritatie opwekt. Ramen waren niet voorzien in mijn ondergrondse cel, airconditioning was een overbodige luxe: zomer en winter, het was er altijd lekker koel. Als de posters aan mijn muren als natte herfstbladeren naar beneden dwarrelden, dan wist ik dat het regende.

In één van de muren was een soort kijkgat gemetseld, door het traliewerk heen had ik een panoramisch uitzicht op het binnenkoertje dat door mijn bovenburen werd gebruikt om hun restafval te dumpen. Krotten en onbereikbare huisbazen, het hoort onlosmakelijk bij elkaar. Die van mij bleek meestal op zakenreis naar Australië als ik hem nodig had.

Met een ander onvergetelijk krot heb ik mogen kennismaken tijdens mijn Spaanse jaren. Gelegen in een doodlopend steegje in de achterbuurt van het kuststadje Altea. Mijn keurig witgekalkte voorgevel - op last van het gemeentebestuur elk jaar netjes opnieuw geschilderd - werd door verdwaalde toeristen die verlekkerd zijn op dat 'typisch Spaanse pittoreske' menigmaal op de gevoelige plaat vastgelegd. Achter de façade oogde het iets minder pittoresk. Om het vallende steengruis enigszins tegen te houden, hadden de vorige bewoners een visnet aan het plafond gespannen. In elke la van elke kast huisde een legertje kakkerlakken en die beestjes hebben de atoombom op Hiroshima overleefd, die laten zich niet intimideren door een ordinaire insectenspray.

Naast mij woonde een kroostrijke maar straatarme Spaanse familie: oma, opa, kinderen en kleinkinderen, naar schatting zeventien man sterk. Bij gebrek aan slaapplaats brachten de twee oudste zonen de nacht door in de gezinsauto die voor de deur stond geparkeerd en die weinig tekenen van mobiliteit vertoonde gezien de wielen ontbraken. Tijdens de bloedhete zomerdagen de voordeur openzetten kon enig soelaas en verkoeling bieden, maar dan moest je de uitgemergelde zwerfkatten erbij nemen die brutaal binnenschreden en enig proviand kwamen opeisen. Ze beten je in de benen als ze niet snel genoeg op hun wenken werden bediend. En de volgende dag hadden ze hun familie meegebracht voor de gratis lunch.

De eigenares van het huisje dat ik betrok was hoogbejaard en bracht haar laatste levensdagen in het Verre Noorwegen door. Haar zaakwaarnemer was een gepensioneerde Brit aan wie ik elke eerste zaterdag van de maand het huurgeld cash diende te overhandigen in zijn favoriete pub waar hij pinten van een halve liter soldaat maakte en het Engelse voetbal volgde op groot scherm. Maurice, aardige man, lichtjes seniel, trakteerde altijd, maar niet onmiddellijk de geschikte persoon om grensoverschrijdende huurgeschillen op te lossen.

Verderop in mijn steegje hokten enkele heroïneverslaafden en de guardia civil maakte van inbraakbestrijding niet meteen een prioriteit in dit marginale deel van de stad waar de toeristische sector weinig belangen had te verdedigen. Toen ik aangifte deed van een gestolen mountainbike wist de dienstdoende guardist laconiek te melden dat ik hoogstwaarschijnlijk de volgende zondagmorgen mijn fiets kon terugvinden op de vlooienmarkt in Valencia. Toen ik op een morgen constateerde dat de rudimentaire alarminstallatie die ik eigenhandig in elkaar had gestoken om kandidaat-inbrekers te ontmoedigen gestolen was, besloot ik dat het tijd was om andere oorden op te zoeken.

Terug in het moederland belandde ik in het Rabot. Een levendige, dynamische, kosmopolitische buurt waar het niet onaangenaam toeven is. Traag maar zeker komt de renovatie van de verkrotte werkmanshuisjes op gang,voornamelijk op initiatief van de private markt. Bouwvallige panden worden opgekocht door vastgoedmaatschappijen, opgekalefaterd en voor schoon geld verkocht aan tweeverdieners die het zich kunnen permitteren. Het zorgt voor een goeie sociale mix, niks mis mee.

Ook het pand in de Victor Frisstraat dat ik voor 200 euro huurde was dringend aan renovatie toe, maar daartoe maakte de eigenaar geen aanstalten. Want had ik reden tot klagen? Waar elders zou ik tegen zo een vriendenprijsje onderdak vinden? Er stonden zich tientallen potentiële huurders voor zijn deur te verdringen om mijn plaatsje onder de zon in te nemen. Mijnheer V. was een brutale, onbehouwen man, hij dronk en schold altijd, de rol van vileine schurk in een Dickensiaans drama zou hem op het lijf geschreven zijn. Ik had weinig keuze, ik had een dak boven mijn hoofd nodig.Alles went, men moet roeien met de riempjes die men heeft, als het regende nam ik mijn paraplu mee naar het toilet buiten op de koer dat tevens als douchecel kon worden gebruikt, want het plafond was lek als een zeef..

Het was in de herfst van 2005 dat een ambtenaar van de dienst Huisvesting aanklopte om mijn onderkomen te controleren op de regels van de Vlaamse wooncode inzake hygiëne en veiligheid. De technische details zal ik u besparen, maar zoals te voorzien en te verwachten was het rapport van de inspecteur vernietigend: de verhuurder kreeg drie maanden de tijd om de meest elementaire aanpassingen uit te voeren. Mijnheer V. was niet onder de indruk, het enige initiatief dat hij nam was een makelaar sturen om de waarde van zijn eigendom te laten schatten. Mijnheer V. was het prototype van de ultraliberaal die elke overheidsbemoeienis met zijn zaken als een bewijs zag van het oprukkende communisme in dit vermaledijde land dat aan overreglementering ten onder ging. De inspecteur van het Vlaams Gewest die de zaak opvolgde, gaf mij de stille wenk om alvast uit te kijken naar een ander stulpje en de procedure tot onbewoonbaarheidsverklaring werd in gang gezet.

Ik had de eer op 3 oktober 2005 een delegatie bobo's te mogen ontvangen die Minister van Wonen Marino Keulen vergezelden tijdens een werkbezoek in het rampgebied en die zich op het terrein kwamen vergewissen van de stand van zaken qua huisvesting. Langer dan twee minuten hebben de heren en dames het niet bij me uitgehouden. Ietwat onwennig en stil stonden ze tegen elkaar aangedrukt in mijn veel te krappe woonkamer naar de scheuren in het plafond te staren, terwijl ik de heer Keulen op de koer een demonstratie gaf van de unieke dubbele functie van mijn toilet. De uitvergrote foto van zijn collega Rik Daems, langoureus poserend op de trappen van zijn riante optrekje, die ik voor de gelegenheid had opgehangen aan mijn wc-deur heeft hij wellicht niet opgemerkt. Of hij deed alsof. Ik hoorde hem tegen één van zijn sidekicks fluisteren: ”Hoe is deze man in deze situatie terechtgekomen?” Vooral TiensTiens blijven lezen, minister Keulen, er zitten nog meer verhalen in de pijplijn.

Mijnheer V. heeft met haastige spoed zijn onbewoonbare krot voor een stevige prijs doorverkocht aan een makelaar, de huurwaarborg van 600 euro heb ik nooit teruggekregen want wie anders dan ikzelf was verantwoordelijk voor de staat van verregaande verwaarlozing van het pand? Ik liep door de Victor Frisstraat, er kwam een Mercedes naast mij gereden, de bestuurder draaide het raampje open, het was mister V. himself.

“Ge hebt de huur van december nog niet betaald”, zei hij.

“Ik ben eind november verhuisd”, zei ik.

“De opzegtermijn bedraagt twee maanden, ge moet mij nog 200 euro.”

“De woning is onbewoonbaar verklaard door de burgemeester, ik betaal niks, ik wil mijn waarborg terug.”

“Waar woont ge nu?”

“Dat zijn uw zaken niet.”

Waarop hij de onsterfelijke woorden “desnoods vervolg ik u tot in het sterfhuis, maar betalen zult ge” uitsprak en ons fijne gesprek afrondde met de verrassende mededeling dat hij onze conversatie op zijn voice recorder had opgenomen als bewijsmateriaal bij eventuele gerechtelijke betwistingen. Diep onder de indruk van zijn verborgen talenten als undercover onderzoeksrechter nam ik afscheid van mijnheer V.

In vergelijking met mijn vorig optrekje leek de vrijstaande studio die ik in dezelfde straat kon huren een koninklijk paleis: een ligbad, een fonkelnieuw elektrisch fornuis, grote ramen en volop zonlicht, geen ratten of ander ongedierte te bespeuren.Lang duurde de euforie echter niet, de verborgen gebreken van mijn leugenpaleis kwamen één voor één aan het licht. De verwarming deed het niet, het plafond van de badkamer was allesbehalve waterdicht, door tochtgaten en kieren kroop koude, klamme vochtigheid de slaapkamer binnen. Op het eerste zicht leek mijnheer O. een aimabel man, ik mocht hem altijd opbellen als er een probleem was, maar hij gaf nooit thuis.

Het is alsof je na jaren van aanmodderen en ploeteren in de marge uiteindelijk de vrouw van je leven denkt te hebben gevonden. Bloedmooi is ze, haar tanden glanzend en parelwit, lange, ravenzwarte haren die over haar ranke schouders vallen. Na een verrukkelijke liefdesnacht word je prinsheerlijk wakker naast je droomprinses, op haar nachttafeltje zie je een pruik liggen en staat er een glas water waarin haar kunstgebit drijft.

Mijnheer O. vond het ongehoord dat ik de dienst Huisvesting had ingelicht over de mankementen die zijn eigendom vertoonde. Mijnheer O. was niet blij dat hij de werkzaamheden die hij op de bovenverdieping aan het uitvoeren was, diende stop te zetten omdat hij geen bouwvergunning had aangevraagd. Mijnheer O. luchtte zijn ongenoegen over het feit dat de overheid consequent partij koos voor de huurder en de verhuurder altijd voor alles moest opdraaien. Er waren trouwens kandidaat-huurders op overschot die maar al te graag, enzovoort, etcetera.

Dit verhaal moet nog een staartje krijgen. In afwachting van een sociale woning - ik sta op de wachtlijst sinds het jaar 2002, - onderga ik lijdzaam mijn lot en hoop ik op een niet al te strenge winter in de Victor Frisstraat.

 

LIEVEN DEFLANDRE