Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

Iedereen flik?

Lokale burgerinitiatieven tegen onveiligheid en criminaliteit

p14_Iedereen Flik?
(foto: Annemie Van den Hende)

In vergelijking met enkele decennia geleden nemen mensen in toenemende mate zélf voorzorgsmaatregelen tegen criminaliteit en onveiligheid. Rekening houden met criminaliteitsrisico’s is onderdeel geworden van ons dagdagelijkse handelen. Naast individueel beveiligings- en vermijdingsgedrag proberen burgers somssamen de veiligheid in hun buurt te vergroten. Ook in verscheidene Gentse buurten nemen bewoners de laatste jaren zelf initiatieven ter zake.

 

Hoge criminaliteitscijfers

Sinds de naoorlogse periode is criminaliteit geëvolueerd van een marginaal fenomeen naar een significant sociaal en politiek probleem. Laatmoderne ontwikkelingen hebben geleid tot een stijging van de geregistreerde criminaliteit. De toegenomen criminaliteitsdruk laat zich niet enkel voelen in gemarginaliseerde buurten, maar ook in kleinstedelijke en rurale buurten. Door sociale en ruimtelijke veranderingen worden ook meer welvarende bevolkingsgroepen in toenemende mate geconfronteerd met criminaliteits- en onveiligheidsproblemen, ook al blijft het risico op slachtofferschap ongelijk verdeeld.

Deze ervaringen en de media-aandacht voor criminaliteit zorgen voor een grotere bezorgdheid en angst voor criminaliteit. Ook groeit de indruk dat de overheid de criminaliteitsontwikkelingen niet (meer) onder controle heeft. Hoewel de publieke politiediensten nooit helemaal over het monopolie op formele sociale controle beschikten, wordt hun dominantie in toenemende mate ondermijnd en in vraag gesteld. Terwijl de ontevredenheid over de dienstverlening van de publieke politie toeneemt, dienen er zich ook andere aanbieders aan op de markt van sociale controle, zoals private bewakings- en beveiligingsondernemingen, die graag inspelen op de toegenomen vraag naar veiligheid. Bewoners gaan op zoek naar alternatieven om zelf iets te doen aan de veiligheid in hun buurt. Getuige hiervan zijn de burgerwachten die in het midden van de jaren ’80 ondermeer in Sint-Denijs-Westrem de kop op staken.

 

Repressie en responsabilisering

In een poging om de toegenomen criminaliteit en onveiligheidsgevoelens een halt toe te roepen heeft de overheid een dubbele strategie ontwikkeld.

De eerste beleidslijn laat zich omschrijven als een repressieve strategie van bestraffende segregatie van bepaalde risicopopulaties. Ondermeer de nieuwe mogelijkheid van lokale overheden om sancties op te leggen in hun strijd tegen overlast(de Gemeentelijke Administratieve Sancties), vormt daar een illustratie van.

Om de beperkingen van het strafrechtsysteem te overstijgen, ontplooide de overheid eveneens een strategie van responsabilisering. Hierbij wordt de burger in toenemende mate verantwoordelijk gesteld voor zijn eigen veiligheid. Individuen, gemeenschappen en organisaties wordenaangemoedigd om te reflecteren over criminaliteitsrisico’s en om preventieve antwoorden te ontwikkelen. (Potentiële) slachtoffers worden gestimuleerd om beveiligingsmaatregelen te nemen en mijdgedrag te stellen. Dit veiligheidsbewustzijn wordt nog versterkt door de uitbreidende commerciële veiligheidsindustrie. Daarnaast sluit de overheid ook samenwerkingsverbanden af met het bedrijfsleven en private bewakings- en beveiligingsondernemingen. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid wordt zo verlegd van de overheid naar gemeenschappen, potentiële slachtoffers en de private sector. De basis van deze responsabiliseringsstrategie werd reeds in het midden van de jaren ’80 gelegd.

 

Voor sociale preventieprojecten die willen ingrijpen op de oorzaken van criminaliteit is er steeds minder beleidsruimte.

 

Van BOA tot BIN

Vermeldenswaardig is de Buurt Observatie Actie, kortweg BOA, een buurtgericht preventieproject dat in 1986 ontwikkeld werd door de Gentse gemeentepolitie en met name de toenmalig adjunct-commissaris Carlier. Door middel van samenwerking met bewoners van (voornamelijk middenklasse) buurten poogde de gemeentepolitie er de informele sociale controle te verhogen, bewoners te motiveren meer preventieve maatregelen te nemen en de politiepatrouilles te optimaliseren. Ook in Sint-Denijs-Westrem, waar het burgerwachtinitiatief al snel werd beteugeld door de gemeentepolitie, werd een BOA opgericht. Na een naamsverandering in 1998 tot PARASOL, ‘Politie AdviesRaad: Samen Onveiligheid te Lijf’, stierf dit initiatief echter een stille dood.

Met de Ministeriële Omzendbrieven van 1998 en 2001 werd door de toenmalige ministers van Binnenlandse Zaken een duidelijk onderscheid gemaakt tussen burgerwachten (initiatieven waarbij burgers patrouilleren) die voortaan werden verboden, en andere initiatieven waarbij burgers hun medewerking verlenen aan de politie. Vanaf dan werd binnen het federale veiligheids- en preventiebeleid vooral het buurtinformatienetwerk, vaak afgekort tot BIN, aangemoedigd als hét middel om de samenwerking tussen lokale politie en bevolking te vergroten, het algemeen veiligheidsgevoel te verhogen en de sociale controle te bevorderen. Net zoals situationele en technopreventieve maatregelen een centrale plaats hebben verworven in het federale preventiebeleid, wordt bij het buurtinformatienetwerk de klemtoon gelegd op de gevolgen van criminaliteit, op slachtofferschap en onveiligheidsgevoelens. Voor sociale preventieprojecten die willen ingrijpen op de oorzaken van criminaliteit is er steeds minder beleidsruimte. De laatste drie jaar probeert de federale overheid vooral middenstanders warm te maken voor de buurtinformatienetwerken. Ook in Gent is een BIN-Z, een buurtinformatienetwerk voor zelfstandige ondernemers, actief.

 

Burgerinitiatieven inGent

In de praktijk bestaat er echter een grotere verscheidenheid aan burgerinitiatieven, met verschillende oriëntaties over hoe criminaliteits- en veiligheidsproblemen het best kunnen worden aangepakt. Dat bleek uit een doctoraatsonderzoek naar lokale burgerinitiatieven en naar de manier waarop mensen omgaan met lokale criminaliteit en onveiligheid. Omdat ‘de bevolking’ al te vaak wordt voorgesteld als een homogene entiteit, werden lokale initiatieven bestudeerd in woonbuurten met een uiteenlopend sociaal-economisch profiel.

 

Zo werden bewoners bevraagd uit het gebied rond de Latemse Golf, voornamelijk topmanagers en bedrijfsleiders, die in een reactie op inbraken en car- en homejackings besloten bewakingsondernemingen in te schakelen. Voor ongeveer 125 euro per maand rijden bewakingsagenten er ’s nachts rond en controleren ze de woningen van de deelnemende bewoners.

Hun beslissing om beroep te doen op de private veiligheidsmarkt vloeit voort uit een gering vertrouwen in de politie en de overheid, de zeggenschap die ze willen over de service (more value for money) en de discretie die ze beogen. Ze zijn van mening dat veiligheid een product is dat evengoed, zoniet beter, door de markt kan worden geleverd.Of zoals een deelnemer het uitdrukt: “Ja, dat zit in onze genen, hé. Als het niet van de overheid komt, dan doen we het zelf wel.”

In de Liedermeerswijk, een nieuwe verkaveling in Merelbeke waar zich voornamelijk jonge middenklasse gezinnen gevestigd hebben, opteerden bewoners voor een buurtinformatienetwerk. Abnormale feiten of personenin de buurt melden ze aan de politie. Anderzijds worden bewoners in het netwerk telefonisch verwittigd bij een mogelijke criminaliteitsdreiging. Dit initiatief kwam er na enkele inbraken en diefstallen vanonder meer bouwmateriaal.

In tegenstelling tot Sint-Martens-Latem, waar lokale criminaliteits- en onveiligheidsproblemen werden beschouwd als een bevestiging van het falen van de politie, interpreteren de bewoners van de Liedermeerswijk de criminaliteitsproblemen als een oproep om samen te werken met medebuurtbewoners en politie om de veiligheid in de wijk te verhogen. Deze interpretatie vertaalt zich in het partnerschap tussen politie en bevolking waaraan het buurtinformatienetwerk in de Liedermeerswijk vorm wil geven:“Om mekaar te helpen de wijk beter te observeren, is een BIN-netwerk nuttig. We beseffen dat de politie niet overal tegelijk kan zijn. En het is goed dat de burgers zelf hun ogen open houden. […] Dat BIN-netwerk is ontstaan uit het gevoel dat de politie het alleen niet zal kunnen keren, dat de burgers moeten meewerken.” Ze beschouwen dit initiatief tevens als een vorm van buurtsolidariteit, waar ze meer waarde aan hechten dan aan privacy, wat primeerde bij de bewoners van Sint-Martens-Latem.

 

Tot slot werden in de sociale woonwijk Nieuw Gent initiatieven onderzocht die bewoners er samen met het opbouwwerk ontwikkelden om de leefbaarheid van hun woonomgeving te verbeteren. Bewonersmobilisatie resulteerde er in een ‘plan van aanpak’ dat de aanzet vormde tot tal van projecten. Vooral het ‘slotenplan’, een geheel van technische en sociale maatregelen om de veiligheid in de appartementsgebouwen te verhogen, vormde hierbij een centraal element.

De bewoners beschouwen er de lokale criminaliteits- en onveiligheidsproblemen als een symptoom van de malaise waarin de buurt ten gevolge van maatschappelijke ontwikkelingen is verzeild geraakt. Vanuit hun interpretatie dat de problemen te maken hebben met achterstelling en beleidsverwaarlozing proberen ze diensten en instituties te responsabiliseren om werk te maken van de leefbaarheid in Nieuw Gent: “De politie moet ons helpen, anders zullen we er niet geraken.” Omdat ze de problemen niet louter als een gevolg van ontoereikend politioneel toezicht beschouwen, richten ze hun initiatieven eveneens naar de sociale huisvestingsmaatschappij, de plantsoendienst, het jeugdwerk...

 

Sociaal rechtvaardige responsabilisering

Bewoners uit verschillende buurten reageren dus op een andere manier op de eerder geschetste beleidsstrategie van responsabilisering. Bovendien bleek dat ze niet in dezelfde mate beschikken over mogelijkheden om collectief te reageren ten aanzien van de lokale criminaliteits- en onveiligheidsproblemen waarmee ze worden geconfronteerd. Het responsabiliseren van bewoners voor hun eigen veiligheid, ongeacht de context waarin men deze verantwoordelijkheid dient op te nemen, dreigt de maatschappelijke ongelijkheid te negeren die zich ondermeer manifesteert in de buurt waar men woont, de sociaal-economische middelen die men ter beschikking heeft, en het risico op slachtofferschap. De ongelijke mogelijkheden om een sociale basis te vormen voor collectieve actie en de differentiële toegang tot economische en politieke middelen en macht, kunnen er toe bijdragen dat initiatieven zich niet ontwikkelen daar waar er het meest nood aan is, met name in sociaal-economisch achtergestelde buurten. Tevens dient er op toegekeken te worden dat burgerinitiatieven niet ontaarden in defensieve en uitsluitingsstrategiëen die bestaande ongelijkheden en polarisaties verscherpen.

 

TINNEKE DEGREAUWE