Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

Tender, een geval van concurrentievervalsing?

p23_Tender
(foto: freddy Willems)

Werkzoekenden op een efficiënte manier begeleiden naar de arbeidsmarkt blijkt niet altijd een sinecure te zijn. Vooral voor moeilijk bemiddelbare doelgroepen met verschillende achterstellingsituaties dringen zich specifieke trajecten op. Omdat de VDAB niet zelf de expertise in huis heeft om kansengroepen zoals allochtonen, arbeidsgehandicapten of oudere werkzoekenden te begeleiden, besloot ze een deel van dat werk uit te besteden aan de private sector en noemde dit ‘tendering’. Waarom de VDAB, die toch een Vlaamse dienst is, daarvoor het Engelse woord voor uitbesteding gebruikt in plaats van de Nederlandse variant is onduidelijk.

 

Bij de zogenaamde tenderingcontracten kunnen private arbeidsmarktspelers uit de profit (bijvoorbeeld interimkantoren) en social-profit (bijvoorbeeld de vele derdenorganisaties) bieden op zo’n opdracht. De VDAB bepaalde tot voor kort de regels, waarbij de prijs/kwaliteitverhouding van doorslaggevend belang was. De derden vragen al langer een evaluatie van dat systeem omdat zij gezien hun streefdoel vanzelfsprekend meer op kwaliteit spelen, terwijl de profitsector in de eerste plaats winst wil maken. Zo’n evaluatie kwam er ook, maar wordt vooralsnog geheim gehouden. Kwatongen beweren dat deze niet zo positief zou zijn voor de interimkantoren. We zullen het pas zeker weten als de evaluatie vrijgegeven wordt, maar men inmiddelswel reeds de regels van de ‘tendering’ veranderd.

Bedrijven of organisaties die wensen mee te dingen moeten een heel groot gebied bereiken, namelijk een derde van Vlaanderen,want de VDAB heeft Vlaanderen in drie zones opgedeeld. Daardoor dreigen heel wat kleinere spelers op de markt uit de boot te vallen. Het zijn vooral de lokale derden, die dikwijls heel streekgebonden werken maar juist daardoor een uitstekende kennis hebben van de lokale arbeidsmarkt, die hiervan de dupe dreigen te worden. De VDAB stelt dat deze derden dan maar consortia moeten vormen en moeten samenwerken, maar dit blijkt niet zo eenvoudig. De enigen die groot genoeg zijn om nog zonder problemen te kunnen meespelen zijn de interimkantoren die overal ten lande goed zijn ingeplant, en enkele grote derden (veelal verbonden aan een zuil).

De interimsector zetelt trouwens in de Raad van Beheer van de VDAB, en we kunnen ons niet van de indruk ontdoen dat het ene met het andere te maken heeft. De lobby van de interimsector (FEDERGON) is immers heel erg actief in het beïnvloeden van het beleid met als doel zijn eigen marktaandeel en winst te verhogen. Zo oefende FEDERGON succesvol druk uit om de PWA’s af te bouwen en om taken die vroeger door het PWA gedaan werden over te hevelen naar de dienstencheques. De interimsector heeft immers een groot deel van deze markt in handen en zoals iedereen weet maken de dienstenchequebedrijven miljoenen winst. Of dit eigenlijk wel kan op kosten van de Sociale Zekerheid is een deontologische discussie die ons te ver zou leiden. Daarnaast slaagde FEDERGON er ook in de VDAB ervan te overtuigen interimwerk als volwaardig werk te beschouwen en dus werklozen, op straffe van schorsing, te verplichten deze precaire tewerkstelling te aanvaarden. Opnieuw kassa voor de sector.

Indien FEDERGON ernu in geslaagd is om de tendergebieden zo te laten indelen dat een groot deel van de concurrentie uitgeschakeld wordt, dan rinkelt de kassa opnieuw. Vraag blijft of de werkzoekenden daar beter van worden.

PHILLIPPE DESMET