Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

Brussel: De kloof door de navel van België

Mathieu Van Criekingen over Brussel

P27_mathieu van criekingen

In een Brusselse kroeg schotelt Mathieu Van Criekingen, sociaal geograaf aan de Université Libre de Bruxelles (ULB),ons zijn visie op Brussel voor, een stad die in het Vlaamse stedendebat altijd op de achtergrond lijkt te staan. Hij bestudeerter het fenomeen van ‘sociale verdringing’ in de centrumwijken, de rol van de grootschalige stadsontwikkeling die Brussel op de wereldkaart wil zetten en de uitholling van de democratie die daarmee gepaard gaat. Daardoor veranderde onder meer de buurt rond het Brusselse Zuidstation de laatste jaren drastisch. Wat is er aan de hand?

 

Van Criekingen: “Voor Charles Picqué, de socialistische burgemeester van Sint-Gillis en minister-president van het Brussels Gewest, moet de Zuidwijk het ‘kleine Manhattan’ van Brussel worden. Daarbij hanteert hij het klassieke argument: “We hebben kantoortorens nodig, zodat we meer belastingen kunnen heffen om de gemeentekas van het armlastige Sint-Gillis te kunnen spekken”. Dezelfde redenering werd indertijd gemaakt om de inplanting van de Madou-toren te verantwoorden. Deze megalomane kantoorontwikkelingen zijn echter dikwijls een grote mislukking, want er staan in Brussel al zoveel kantoortorens leeg. Heel vaak komen er dan, zoals dat in meerdere steden gaat, overheidsdiensten in die geen kantoortaksen moeten betalen. Picqué is dus een volksbuurt aan het vernietigen om er kantoren voor in de plaats te zetten terwijl er momenteel van de 14 miljoen vierkante meter bureauruimte in Brussel 10% leeg staat (dat is 1,4 miljoen m²!). De achterliggende agenda is zich te ontdoen van een volkswijk in de hoop zo van de sociale problemen af te geraken. Niet de armoede, maar de armen worden bestreden.”

“Bij de ontwikkeling van de Zuidstationbuurt is er geen enkel plan voor de mensen die uit hun huizen verdreven zijn. Er is geen sprake van sociale woningen om die mensen op te vangen. Er is wel een wijkcomité dat verzet levert. De moeilijkheid is echter dat ze niet zomaar een projectontwikkelaar tegenover zich hebben, zoals dat het geval was met Charly de Pauw in de Noordwijk, maar hun eigen politieke vertegenwoordigers. De socialist Charles Picqué richtte begin de jaren 1990 de nv Bruxelles-Midi op, een maatschappij met commerciële doelienden maar voor een groot deel gefinancierd met publieke middelen. De nv Bruxelles-Midi werd belast met de onteigeningen in de Zuidwijk en het doorverkopen van de onteigende gronden aan projectontwikkelaars voor de bouw van kantoren. Verzet leveren tegen een stadsontwikkeling die actief aangestuurd wordt door je belangrijkste politieke vertegenwoordigers is bijzonder moeilijk.”

 

Het beleid in Brussel is er een van ‘de politieman met de glimlach

 

Het verhaal over de Zuidwijk klinkt sterk als ‘stadsontwikkeling oude stijl’, de bulldozer over de volkswijken om kantoortorens op te trekken. Nochtans wordt er veel gesproken over de zogenaamde ‘tweede wending in de Brusselse stedenbouw’, waar de herinrichting van het Flageyplein symbool voorstaat. “Er is geen tweede wending van de Brusselse stedenbouw, dat is gewoon gebakken lucht. Een nieuwe generatie jonge architecten probeert via dat discours een positie te veroveren op de Brusselse vastgoed- en projectontwikkelingsmarkt naast de grote firma’s zoals l’Atelier d’Art Urbain, Michel Jaspers, enzovoort. Ze zoeken via die weg hun plaats op de markt en positioneren zich met hun stedenbouwkundige toekomstvisies voor Brussel. De planning van het Flageyplein heeft daarin inderdaad gewerkt als een katalysator. Hun discours komt echter niet buiten de architectuurwereld. Ze leven in hun eigen kleine wereld, waarin er geen machtsrelaties en sociale strijd aanwezig zijn.”

“De idee van de ‘tweede wending’ is goed gevonden, maar heeft weinig te maken met de ‘eerste wending’ zoals die door Jacques Aron eind de jaren 1960 beschreven werd. Toen verwees hij naar de politieke druk die uitging van organisaties zoals ARAU, Inter-Environnement Bruxelles (IEB) en BRAL, organisaties die ontstonden uit de strijd tegen de gangbare vorm van stadsontwikkeling waarbij het stedelijk weefsel van Brussel vernietigd werd en autostrades doorgetrokken werden tot in het centrum. Tijdens de jaren ‘70 et ‘80 overkoepelden deze organisaties de strijd van bewonerscomités, waarvan sommigen volks en anderen eerder burgerlijk waren. Deze bewonerscomités kwamen op tegen de vernietigingen die het ruimtelijke ordeningsbeleid van de nationale regering teweeg brachten in Brussel. De bedoeling van dat beleid was het transformeren van het centrum van Brussel in een Belgisch en Europees administratief district met autowegen die bijna tot op de Grote Markt doordrongen.”

“Na de institutionalisering van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest in 1989 werden de actoren van de eerste wending in meerdere of mindere mate deel van het establishment. Ze geloven zelf heel erg in de zogenaamde ‘revitalisering’ van de stad. Hun discours is veranderd van een oppositiegericht strijddiscours naar de taal van de gevestigde machten. De intellectuele middenklassen waar ze hun politieke macht aan ontlenen hebben nu de macht in het Brusselse Gewest. Heel wat mensen en activisten die dichtbij ARAU of IEB stonden, zitten nu op de verschillende kabinetten. ARAU en IEB hebben wel wat bewogen rond de projectontwikkeling aan de Zuidwijk, maar ze duwen niet echt iets door. En toch, er is ook een hoopvolle generatiewissel in IEB. Die eerste generatie van militanten is aan het verdwijnen en een nieuwe generatie komt op die opnieuw een stuk militanter is. IEB wordt echter gefinancierd door het Gewest en krijgt op die manier problemen met zijn oppositie tegen de ontwikkeling aan de Zuidwijk of tegen het PDI. Ze zijn dus moedig.”

 

De projectontwikkeling aan het Zuidstation is maar één van de sites die onderdeel vormen van het Brusselse Plan de Développement International (PDI). Wat houdt dat PDI concreet in?

Het PDI is een document dat stelt dat de laatste grote grondreserves waar Brussel over beschikt vrijgemaakt moeten worden voor grote speculatieve vastgoedprojecten: een groot voetbalstadium (voor de kandidatuur voor de wereldbeker voetbal in 2018), een groot congrescentrum, een concertzaal, een nieuw winkelcentrum, enz. Het gaat onder meer over de volgende sites: het Weststation, Schaarbeek-Vorming, Tour et Taxis, het vroegere Rijksadministratief Centrum en de Heizel. Zelfs de wijk aan het Zuidstation wordt opnieuw vermeld in het PDI, met dezelfde argumenten als begin de jaren ‘90, namelijk om bedrijven uit Parijs en Londen aan te trekken. De laatste vijftien jaar werd geen enkele van die bedrijven aangetrokken. Het PDI bevat ook een citymarketingplan dat het imago van Brussel wil verkopen aan nieuwe consumenten, toeristen en bezoekers. Op de website van het PDI kan men het volgende lezen: “Net als goederen en diensten, ondergaat een stad vandaag de wetten van markt en concurrentie. Het is onmogelijk na te denken over de toekomst van een stad zonder er daarbij van uit te gaan dat die stad ook een marktwaarde heeft ” (zie http://www.demainbruxelles.be/nl/faqs/detail/id/11).

 

Geboren worden in Molenbeek in plaats van in Woluwe kost je gemiddeld vijf tot zes levensjaren.

 

Is er veel inspraak van de bevolking in het PDI?

Voor Picqué op totaal ondemocratische wijze met het PDI op de proppen kwam, waren er sterke verworvenheden die het debat over stadsontwikkeling en ruimtelijke ordening democratiseerden. De decennialange sociale strijd die hiervoor gevoerd werd had geleid tot procedures voor participatie en democratie. Het PDI veegt dit alles van tafel. Er was en is geen sprake van publiek debat. Het PDI werd meteen een officieel plan zonder publiek debat, zonder consultatie of advisering. Het plan heeft zelf een behoorlijk onduidelijk statuut. Het hoort nergens thuis in de bestaande hiërarchie van ruimtelijke plannen. Het plan werd ontwikkeld in de schoot van het kabinet van Picqué, buiten al de gangbare en democratische procedures om die voor deze andere ruimtelijke plannen gelden. Uiteindelijk werd het goedgekeurd door de rest van de regering (PS-CDH-Ecolo-VLD-CD&V-sp.a), terwijl ook de oppositie (MR) zegt zich verleid te voelen door de ‘ambities’ van het plan.”

“De oorzaak van deze ondemocratische gang van zaken ligt waarschijnlijk vooral in de toenemende druk vanuit de immobiliënsector. Vroeger trok men enkel kantoren op, wat heeft geleid tot een overaanbod in Brussel. In vergelijking daarmee wordt de immobiliënmarkt voor particuliere huisvesting steeds aantrekkelijker door de komst van expats, eurocraten en nieuwe jonge Brusselaars. Enkele immobiliënmaatschappijen ruiken winst en breiden hun portfolio uit. De Gewestregering beslist via het PDI om de laatste grote open ruimtes aan te snijden voor ontwikkelingen op maat van het kapitaal. Er wordt daarin geen ruimte voorzien voor sociale huisvesting. De pen voor dit plan werd duidelijk mede vastgehouden door de vastgoedsector. Price Waterhouse Coopers, die dergelijke strategieën ontwikkelt over de hele wereld, kreeg de opdracht de contouren van dit plan uit te werken. Er werden enkele seminaries met de immobiliën- en vastgoedsector gedaan. Die seminaries waren wel open, maar het inschrijvingsgeld bedroeg meer dan 500 Euro (voor een halve dag), zodat enkel vertegenwoordigers van immobiliënmaatschappijen, politici en journalisten van de grote media aanwezig waren. Op die seminaries werd dus het PDI aan een ‘geselecteerd’ publiek gepresenteerd.”

“Het PDI kreeg al geld van andere overheden. 100 miljoen euro van Beliris - de naam voor het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest - zal gebruikt worden voor de implementatie van het PDI. Financieel gezien is dit geld veel belangrijker dan bijvoorbeeld het geld dat aan wijkcontracten gespendeerd wordt, terwijl er geen publiek debat is over waar dit Beliris-budget naartoe moet gaan (behalve naar het PDI gaat dit budget ook naar de metro, huisvestingsprojecten, de renovatie van publieke ruimtes en parken, enzovoort). IEB, Bral, ARAU en zelf het CSC (ACV) hebben een moratorium op de realisering van het PDI gevraagd tot er een publiek debat over heeft plaatsgevonden.”

p27_mathieu van criekingen
(foto: freddy Willems)

 

Naast die spectaculaire grootschalige ontwikkelingen zien we in Brussel ook meer sluipende vormen van stedelijke fragmentatie aan het werk. U onderzocht de gentrificatie in en rond de Dansaertstraat. Wat bedoelt u precies met gentrificatie? Waarom zien we dit in en rond de Dansaertstraat plaatsvinden?

“Gentrificatie moet je bekijken als het vervangen van bepaalde sociale groepen die in de wijk woonden door andere sociale groepen die (wat) hoger op de sociaal-economische ladder staan. De mensen die uit wijken vertrekken zijn dus niet dezelfden die als die mensen die er aankomen. Het gaat wezenlijk om een verandering van populatie, die ook een andere esthetiek en ruimtegebruik met zich meebrengt. Gentrificatie is een verovering van de ruimte door een sociale groep (bv. jeunes branchés, rijke middenklassers, expats, etc.) en het verlies van controle over diezelfde ruimte door een andere groep. In politieke en zelfs academische kringen wordt dikwijls gezegd dat men deze sociale verdringing niet kan bekritiseren omdat het toch beter gaat dan vroeger met de stad en de opgewaardeerde wijken er zienderogen op vooruitgaan. Maar de echte vraag is volgens mij hoe men stadswijken kan verbeteren met en voor diegenen die er wonen, niet door een nieuwe populatie aan te trekken.”

“De veranderingen in en rond de Dansaertstraat staan symbool voor de gentrificatie in het Brusselse stadscentrum. Het gentrificatieproces kwam op gang nadat midden de jaren ‘80 een aantal mensen werd aangesteld om de winkelstraat opnieuw vorm te geven. Vandaag is de wijk rond de Dansaertstraat een chique winkel- en uitgaanscentrum, dat ook toeristen aantrekt. Sinds een tiental jaren promotenStad Brussel en het Brusselse Gewest het ‘Dansaerteffect’ en proberen ze dit effect het kanaal te doen oversteken richting Molenbeek. Maar het ‘Dansaerteffect’, met chique vitrines en hippe bars, duwt de volksklassen weg uit de buurt. De promotie van het ‘Dansaerteffect’ weerspiegelt dus een gentrificatiebeleid.”

 

In academische kringen maakt men het verschil tussen zachtere vormen van verdringing en de expliciete verwijdering van de onderklasse. Dat laatste noemt men ‘revanchisme’. Is Brussel een revanchistische stad?

“Als ‘revanchisme’ gaat over het tegelijkertijd aantrekken en uitsluiten van mensen zoals burgemeester Giuliani in New York deed, is Brussel geen revanchistische stad. Er is bijvoorbeeld geen beleid van nultolerantie. Maar Brussel is wel revanchistisch op haar eigen manier. De verdringing gebeurt hier door buurten, wijken en straten te verfraaien én tegelijkertijd meer toezicht en controle binnen te loodsen in de publieke ruimtes (camera's, stadswachten, stewards, etc.). Het gaat dus eerder om een soort van beschavingsoffensief. Men vernieuwt de publieke ruimte (gevels kuisen en trottoirs vernieuwen) en tegelijkertijd verhoogt men de controle. Er is daarom geen directe repressie. Het beleid in Brussel is er een van ‘de politieman met de glimlach’.”

“Dit ontwikkelingsconcept wordt verkocht als ‘revitalisering’: verfraaien en verdedigen dat er een sociale mix moet komen. Sociale mix is opeens het ideaal. Er wordt een sociale mix gecreëerd in een stad waar 90% van de huizenmarkt in private handen is. Aangezien het grootste deel van de woningmarkt privaat is, gebeurt de verwijdering van armen automatisch via de prijsregulering op de woningmarkt. In de sociale woningsector wordt vooral ingezet op renovatie, niet op nieuwbouw. Hoe zal dat de armen vooruit helpen? Het vernieuwen van wijken leidt zo rechtstreeks tot sociale uitsluiting.

Bovendien, de rijkere gemeenten in het Zuidwesten van Brussel zoals Woluwe en Ukkel zijn veel minder gemengd dan Molenbeek, maar daar wordt nooit over ‘sociale mix’ gepraat. Men verzwijgt dat het echte probleem er één is van sociale uitsluiting. Die sociale ongelijkheid als vertrekpunt nemen is zeer belangrijk in een stad met zo’n extreme vormen van sociale ongelijkheid. We leven in een stad waar vijf kilometer afstand een gigantisch verschil maakt in termen van levenskansen. Geboren worden in Molenbeek in plaats van in Woluwe kost je gemiddeld vijf tot zes levensjaren. Sinds 2000 werden er gemiddeld twintig nieuwe sociale woningen per jaar gebouwd, terwijl het aantal mensen op de wachtlijst meer dan 25000 bedraagt. De helft van de inwoners in Brussel heeft in principe recht om zich in te schrijven op de wachtlijst voor een sociale woning. Er is een enorme nood en behoefte aan sociale woningen. En dan tellen we nog niet eens de sans papiers erbij. Het is dus niet verwonderlijk dat er ‘marchés de sommeils’ zijn in Brussel, waar mensen een matras kunnen huren in een slaapplaats die ze wel met tot vijftienanderen moeten delen.”

 

PASCAL DEBRUYNE EN STIJN OOSTERLYNCK