Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

Een stad om mee te spelen

Speelweefsel
(foto: freddy Willems)
De Prettige Wildernis

Kinderen en jongeren maken zowat een derde uit van de Gentse bevolking. Het is dan ook niet meer dan logisch dat er ook met hun noden en wensen rekening gehouden wordt bij de inrichting van de publieke ruimte. Omdat dat ook effectief zou gebeuren stelde het stadsbestuur in maart 2008 de ‘handleiding speelweefsel’ voor die gebruikt zal worden bij de opmaak en de beoordeling van de ruimtelijke planning.

“Een speelweefsel is het verbindend netwerk tussen alle voor kinderen en jongeren relevante plaatsen in de stad.” zegt Marianne Labre, speelruimteambtenaar bij de Jeugddienst. Het gaat dus om meer dan de ‘formele’ speelruimtes zoals speelpleinen alleen; het is de bedoeling de stad in zijn totaliteit te benaderen . Ook ‘informele’ ruimtes waar jongeren vaak samenkomen en andere plaatsen die belangrijk zijn voor jongeren zoals scholen, de bibliotheek, de bioscoop...en vooral ook de verbindingen tussen al deze plaatsen behoren ertoe. ”Vergelijk het met een spinnenweb, waarin de speelruimteambtenaar de spin is.”

 

Ouders hebben tegenwoordig veel meer dan vroeger de neiging hun kinderen overal naar toe te brengen of te begeleiden in plaats van ze alleen te voet of met de fiets te laten gaan

 

De Handleiding speelweefsel’

De ‘handleiding speelweefsel’ die eind 2007 werd goedgekeurd (en eind 2008 bekroond werd met de ‘thuis in de stad’ prijs) is het resultaat van tien jaar nadenken en werken rond het concept ‘speelweefsel’. De Plangroep Speelruimtebeleid waarvan de jeugddienst de motor is fungeerde als stuurgroep bij de opmaak van de handleiding door het Onderzoeksbureau Kind & Samenleving in samenwerking met landschapsarchitect Jan Pillen. In de plangroep zijn naast de Jeugddienst ook de Dienst Stedenbouw en Ruimtelijke Planning, de Groendienst, de Dienst Stedelijke Vernieuwing en Gebiedsgerichte Werking, de Dienst Mobiliteit, het Departement Onderwijs en de Sportdienst vertegenwoordigd. Die samenwerking is noodzakelijk omdat het geld en de bevoegdheden om het speelweefsel mogelijk te maken verspreid zitten over die verschillende diensten. Ook de Dienst Kunsten werkt mee, bijvoorbeeld om ‘bespeelbare kunst’ te realiseren. Zoals bijvoorbeeld de ‘Yellow submarine’ van Emilio Lopez-Menchero (Trekweg, Mariakerke) of de grote AVL-man die vroeger op de Vrijdagmarkt (en tegenwoordig op het E3 plein) lag, die wel niet als ‘bespeelbare kunst’ waren opgevat maar wel zeer in de smaak van kinderen bleken te vallen. Daarnaast werkt men ook samen met externe partners zoals vzw Jong, Samenlevingsopbouw en de vakgroep Sociale Agogiek van de universiteit Gent.

In de stad is de speelruimte vaak beperkt door te kleine behuizing; door de afwezigheid van een eigen tuin; door de beperkte mogelijkheden op straat... Daardoor is het noodzakelijk in formele speelruimtes zoals speelpleinen; speelbossen of terreinen voor recreatief sporten te voorzien. Dergelijke speelterreinen zijn centrale plaatsen in het speelweefsel.

Maar in sommige buurten blijft er bijzonder weinig publieke ruimte over. Om het gebrek aan publieke ruimte te compenseren kan er samengewerkt worden met privé-partners, zoals bijvoorbeeld bij de ‘sportschuur Milliken’. Vandaar ook de samenwerking met onderwijs in zogenaamde ‘brede scholen’. Een ‘brede school’ is een school die in samenwerking met het verenigingsleven en andere partners de ontwikkelingskansen van kinderen wil vergroten o.a. door ook in de vrije tijd van de kinderen een rol te spelen; bijvoorbeeld door haar infrastructuur ter beschikking te stellen.

De handleiding bevat geen concrete plannen maar is opgevat als een inspiratiebron om de publieke ruimte ‘kindgericht’ te ontwikkelen en het speelweefsel te versterken. Maar hoe ziet zo’n kindvriendelijke publieke ruimte er dan uit? Uiteraard is het eerst en vooral belangrijk dat die ruimte toegankelijk is. Ouders hebben tegenwoordig veel meer dan vroeger de neiging hun kinderen overal naar toe te brengen of te begeleiden in plaats van ze alleen te voet of met de fiets te laten gaan. Bovendien leidt de angst voor de ‘grote boze buitenwereld’ die bij veel mensen leeft ertoe dat de actieradius van kinderen door de jaren heen zeer sterk is ingeperkt. Ouders houden hun kinderen tegenwoordig het liefst binnen hun gezichtsveld. Het gevolg is dat zogenaamde ‘scharrelkinderen’ net als bijvoorbeeld de vroeger ook alomtegenwoordige mussen tegenwoordig een bedreigde soort zijn. Sterker nog: mensen die hun kinderen wél nog de ruimte gunnen lopen het risico daarop aangesproken te worden. Het speelweefsel wil deze voor kinderen zelf nefaste tendens tegengaan en moet hun kansen om op een autonomere manier aan het publieke leven deel te nemen vergroten. Vandaar de aandacht voor veilige verbindingen; voor door- en oversteken en ‘trage wegen’ die alleen voor fietsers en wandelaars toegankelijk zijn.. Want kinderen hebben natuurlijk weinig aan speelruimtes als ze elke keer hun leven moeten riskeren om ze te bereiken. Het park ‘De groene vallei’ bijvoorbeeld was vroeger moeilijk bereikbaar voor de buurtbewoners. Dat is verholpen met de aanleg van de voetgangersbrug en in de brug zelf zijn picknick- en zitbanken ingebouwd en verderop in het park is de leuning van een trap een knikkerbaan.

Ook bij de speelruimtes zelf is veiligheid een belangrijke randvoorwaarde. Een volledig risicoloze omgeving is uiteraard onmogelijk en zelfs niet wenselijk, maar er wordt wel gestreefd naar een niveau van ‘aanvaardbare risico’s’.

 

"Een publieke ruimte die kwaliteitsvol is ingericht voor kinderen en jongeren, is goed voor iedereen."

 

Uitgangspunten

Naast veiligheid stelt de handleiding nog drie andere uitgangspunten voorop: beleefbaarheid; bespeelbaarheid en diversiteit of multifunctionaliteit.

Beleefbaarheid betekent simpelweg dat er ‘iets te beleven’ moet zijn in de publieke ruimte. Dit wil zeggen dat die ruimte zo moet ingericht zijn dat ze kinderen en jongeren uitnodigt er te blijven hangen; erin te bewegen; hen tot creatief handelen aanzet...zonder dat die ruimte daarom nadrukkelijk op kinderen is afgestemd.

Ook wat met bespeelbaarheid bedoeld wordt is nogal duidelijk. Het houdt in dat er elementen aanwezig zijn waar je kan opklimmen en ook weer vanaf springen of -glijden of waaraan je kunt slingeren. Ook een bodemafwerking die het toelaat balspelen te beoefenen; te skeeleren of te fietsen valt hieronder net als alle elementen die de fantasie stimuleren.

Met diversiteit en multifunctionaliteit tenslotte geeft men aan geen al te exclusieve claims op te publieke ruimte van deze of gene groep te willen honoreren. Verschillende groepen maken op een verschillende manier gebruik van die publieke ruimte en de bedoeling is net die verschillende eisen en verwachtingen met elkaar te verzoenen zodat die ruimte voor iedereen toegankelijk en aantrekkelijk is en dus ook echt ‘publiek’ blijft.. Nu worden kinderen en jongeren dezer dagen nogal snel met ‘overlast’ geassocieerd. Tegen dat soort intolerantie zou een goed doordachte inrichting van de publieke ruimte misschien wat weerwerk kunnen bieden.

Een voorbeeld waar men met deze uitgangspunten rekening heeft gehouden is de inrichting van ‘De groene vallei’. Dat is nu een park met wandelpaden en zitbanken zoals dat in een park gebruikelijk is maar daarnaast is er ook het multifunctionele grasplein een lange picknicktafel en avontuurlijke speeltuigen die verstopt zitten in het struikgewas,...er is kortom voor elk wat wils.

Marianne Labre benadrukt dat ‘speelweefsel’ géén pedagogisch concept is; het is niet enkel voordelig voor de jeugd, want “een publieke ruimte die kwaliteitsvol is ingericht voor kinderen en jongeren, is goed voor iedereen”. Vandaar ook dat het ‘relatief eenvoudig’ is om medestanders te vinden, aldus Labre. Het is dus niet de bedoeling bepaalde ruimtes exclusief voor kinderen en jongeren in te richten; iets waar ze zelf trouwens helemaal niet om vragen. Integendeel zelfs: ruimtes die al te duidelijk en exclusief voor hen voorbehouden zijn worden eerder als een soort getto’s ervaren. Overigens zijn de opvattingen van kinderen over hoe een aangename en leefbare buurt eruitziet vrijwel dezelfde als die van volwassenen. Dat bleek bijvoorbeeld uit een bevraging van schoolkinderen in aanloop van het project ‘Ledeberg leeft’. Daarbij kwam uit de bus dat kinderen vooral vragen om meer groen; meer netheid en meer (verkeers)veiligheid. Net zoals bij de volwassenen dus.

De Jeugddienst wil dat soort bevragingen in de toekomst blijven houden om zo ook de belangen van de kinderen en jongeren te kunnen behartigen. Ook al omdat men wil vermijden een al te exclusief ‘blank middenklasse’-standpunt te vertegenwoordigen is het belangrijk om te weten welke jongeren waar wonen. 

Steden zien nog steeds veel jonge gezinnen met kinderen wegtrekken naar de randgemeenten. In het jeugdbeleidsplan van schepen De Clercq wordt vermeld dat de stad met haar geïntegreerd jeugdruimtebeleid deze tendens wil tegengaan want  ‘Zo kan de stad opnieuw aantrekkelijk worden voor gezinnen met kinderen’ en ‘zich ontwikkelen tot een leefbare stad met een duurzaam karakter.’

 

KOEN DE STOOP