



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
The Revenge of De Lavabo
Keizer Karel en de strop van het verleden
De bekendste Gentenaar aller tijden is zonder twijfel ook een van de minst populaire. Keizer Karel is in Gent vooral bekend voor het onderdrukken van de opstand van 1539-1540, die de Gentenaars de naam Stropdragers bezorgde. Veel te onderdrukken viel er nochtans niet, de opstand was al gedaan voor hij goed en wel begon. Voor verliezer Gent kreeg de opstand mythische proporties, het ultieme bewijs van Gents ‘rebelse’ karakter. Voor Karel was het niet meer dan een voetnoot in zijn biografie, de zoveelste overwinning in een leven dat hij zelf als mislukt beschouwde.
Keizer Karel, geen echte Gentenaar?
Karel werd geboren in het Prinsenhof in Gent, op de eerste 24 februari van 1500. In 1500 was het twee dagen na elkaar 24 februari, omdat het een schrikkeljaar was en 29 februari nog niet uitgevonden was. U denkt dat ik een grapje maak, maar ik ben doodernstig.
In Eeklo denken ze dat Kareltje op geen een van de twee 24 februari’s geboren werd, maar vier dagen eerder en - wat dacht u - niet in Gent, maar in Eeklo. Als dat zo was, kon Karel het zich naderhand in ieder geval niet herinneren. En wie bent u om een keizer tegen te spreken?
Kareltje was de zoon van Johanna van Castilië en Filips van Habsburg. Filips werd omwille van zijn houterigheid ook wel Filips de Stok genoemd, maar ging toch de geschiedenis in als Filips de Schone. Johanna moest het stellen met de roepnaam ‘de Waanzinnige’, omdat ze Filips vroege dood in 1506 niet kon verwerken. Kareltje sloot haar dan maar op in een kasteel ergens ver weg. Kwatongen beweren dat Johanna niet zó gestoord was (een beetje gestoord was normaal in de familie), ze bleek vooral een politiek probleem.
Kwatongen beweren wel meer. Zo zou Johanna bevallen zijn op een moment dat ze zich terugtrok in het kleinste van de 300 kamers van het Prinsenhof. Eeklo is misschien een genante geboorteplaats voor een keizer, een toilet is zo mogelijk nog genanter.
Historici, de ergste kwatongen van al, wijzen er overigens op dat het Prinsenhof juridisch gesproken niet bij Gent hoorde en dat Karel dus technisch gesproken sowieso geen Gentenaar was.
Echte Gentenaar of niet, de Gentenaars toonden zich bijzonder verheugd met de nieuwe prins. Om te voorkomen dat de adellijke doopstoet haar voeten vuil maakte, timmerde het stadsbestuur een versierde houten gaanderij van het Prinsenhof naar de Sint-Janskerk (nu Sint-Baafskathedraal), met onderweg wat triomfbogen. ’s Avonds hing tussen het Belfort en de Sint-Niklaaskerk een loopbrug waarop koorddansers balanceerden. En overal knalde vuurwerk. De mensen vonden dat nogal spectaculair, maar ze waren ook niet veel gewoon.
Vandaag Luxemburg, morgen de wereld
Bij zijn geboorte was Kareltje enkel hertog van Luxemburg. 25 jaar later had hij 72 titels verzameld. Zo was hij 27 keer koning, 13 keer hertog en 22 keer graaf. Zijn absurd grote rijk omvatte niet enkel Spanje, de Nederlanden, het Duitse keizerrijk en lappen Italië, maar ook de net ontdekte Amerika’s. Karel had hier nooit om gevraagd. Het was hem overkomen.
Door de uitgestrektheid van zijn rijk voerde Karel altijd wel ergens oorlog. Was het niet met Frans van Frankrijk (Karels boezemvijand), dan wel met de Turken of met een stel opstandige boerenkinkels. Op een onbewaakt moment zag Karel zich zelfs genoodzaakt Rome plat te branden, om de paus een lesje te leren. Karel hield nochtans heel veel van de paus en van de katholieke kerk in het algemeen. Ketters vervolgen was zijn favoriete tijdverdrijf. Of het nu lutheranen, zwinglianen, calvinisten of anabaptisten waren, het deed er niet toe voor Karel. Als het maar brandde.
Al die oorlogen, veldslagen en strafexpedities kostten geld, véél geld. De eenvoudigste manier om daar aan te raken, waren belastingen. Al viel dat vaak tegen. Met de Gentenaars liep het bijvoorbeeld grondig mis toen die in 1537 weinig reden zagen om Karels acties tegen Franse Frans nog langer te financieren.
Het opstandje van 1539
De Gentenaars hadden bij hun heersers al langer de naam serieuze zageventen te zijn. De stad hield krampachtig vast aan een verouderd gildensysteem. Dat systeem maakte de stad ooit groot en machtig, al was die tijd ondertussen lang voorbij. Op korte termijn speelde het systeem nog steeds in het voordeel van de (rijkere) Gentenaars en in het nadeel van het platteland en de omliggende steden, die de stad dan ook niet te hulp schoten.
Het Gentse verzet tegen de nieuwe belastingen veranderde in 1539 in een weinig glorieuze opstand. De opstandelingen folterden de vijfenzeventigjarige Lieven Pien en hakten vervolgens zijn hoofd af, omdat hij de zogenaamde ‘Koop van Vlaanderen’ liet verdwijnen uit het Belfort. Dat document bewees dat Karels voorganger, de graaf van Vlaanderen, in lang vervlogen tijden zijn graafschap had vergokt bij het dobbelen. Het enige probleem was dat die Koop helemaal niet bestond en dus moeilijk kon verdwijnen. Hiervoor iemands hoofd afhakken, was dus een beetje -euh- ongepast.
De haat van de opstandelingen keerde zich ook tegen een bestaand document, het zogenaamde ‘Calfvel’ van 1515. Deze onpopulaire overeenkomst met Karel werd in het openbaar in stukken gesneden en aan het stadhuis in de massa gesmeten. ‘Eenighe quaetwillighe’ aten de stukjes zelfs op, om zeker te zijn dat het document echt wel weg was.
Karels mond viel bijna open van zoveel onbeschaamdheid. Dat kon evenwel niet, want Karel had een muil als een lavabo en zijn mond stond sowieso open. Zeggen de historici.
De leiding van de opstand was in handen van de gegoede burgerij, maar werd steeds meer overgenomen door de stedelijke middenklasse. Die kreeg de steun van de zogenaamde ‘creesers’ (omdat ze ‘riepen ende creeschen’), ongeschoolde arbeiders aan de rand van de maatschappij.
De opstand radicaliseerde geleidelijk. De creesers sloegen aan het plunderen en eisten sociale hervormingen, slogans scanderend als “Weldra zullen wij uw rijkdom bezitten en gij onze armoede”. Dat was wel het laatste wat de burgerij wilde. Die koos eieren voor haar geld en sloot zich weer aan bij de keizer. De dynamiek van de opstand viel hierdoor stil voor hij goed en wel begonnen was.
De definitieve doodsteek kwam er toen bekend raakte dat de keizer naar Gent kwam om zelf met de opstandelingen af te rekenen. Karel onderdrukte zo de opstand, zonder één vinger uit te steken.
De straf van de lavabo
Gent had zich schuldig gemaakt aan ‘trouweloosheid, ongehoorzaamheid, verdragschending, opruiing, muiterij en majesteitsschennis’. Een leuke lijst en eigenlijk had Karel het recht de hele boel plat te branden en de Gentenaars stuk voor stuk te spietsen, hun ogen uit te krabben en hun ingewanden aan een katrol uit te rukken. Dat was tenminste de mening van Karels juridische raadgevers, die -toegegeven- misschien niet helemaal objectief waren.
De Gentenaars bezochten Karel in het Prinsenhof en betuigden hun oprechte spijt, maar zaagden tegelijkertijd zo hard over het behoud van hun privilegies, dat Karel daadwerkelijk overwoog de boel plat te branden. Hij hield zich in, niet omdat hij zo’n toffe peer was, maar omdat Gent toch te groot en belangrijk was om te vernietigen. Karel beperkte zich tot het onthoofden van wat kopstukken, het afschaffen van de privilegies, het innen van vergoedingen allerhande, het afbreken van de stadsmuren en het bouwen van het Spaans Kasteel bovenop de Sint-Baafsabdij. Hij hoopte zo eindelijk van al dat gezaag af te zijn.
Karel legde ook een symbolische bestraffing op en dat had hij misschien beter niet gedaan. Op 3 mei 1540 trok een stoet van het stadhuis naar het Prinsenhof, maar deze keer timmerde niemand een houten galerij. Integendeel, Karel had waarschijnlijk extra modder laten uitgieten en zijn paarden nog eens flink hun gevoeg laten doen op het traject. De stoet bestond uit de schepenen en stadsambtenaren, wat deftig volk en wat dekens, allemaal op blote voetjes. Daarna volgden honderden kleine ambachtslui en tenslotte, helemaal achteraan, vijftig ‘creesers’, in hun hemd en met een strop om de nek.
En daar zijn die Gentenaars vijfhonderd jaar later nog altijd trots op!
Karels erfenis
De volkswijsheid wil dat de overwinnaars de geschiedenis schrijven, maar Karel wist al dat je het volk niet te veel moet vertrouwen. De Gentenaars hebben het verhaal van hun nederlaag naar hun hand gezet en identificeren zich nu allemaal met de stropdragers, terwijl Karel de slechterik van dienst is. Zelfs bij de uitgebreide Karelfeesten in 2000 haastten de organisatoren zich te zeggen dat het om een herdenking ging en zeker geen verheerlijking.
De slechte reputatie van de keizer is nochtans van late datum. Eeuwenlang stond zijn standbeeld op de Vrijdagmarkt en de Franse revolutionairen moesten langskomen om het naar beneden te halen. Nog lang daarna bleef Karel een Belgische en Vlaamse held. Hij vocht immers tegen de Fransen en de vijand van mijn vijand moet wel mijne maat zijn, nietwaar? Volgens Hendrik Conscience had Karel in zijn strijd tegen de Gentenaars zonder meer het gelijk aan zijn kant, ‘want, ware het zoo niet, dan zou welligt het vonnis van Gent eene onuitwischbare vlek aen zynen glorieryken naem zyn’.
Die ‘onuitwischbare vlek’ kwam pas later. Niet toevallig is het belangrijkste Gentse gedenkteken voor Karel een standbeeld geschonken door de Spaanse stad Toledo, dat Gent slechts met tegenzin aanvaard werd. In Spanje is Karel nog altijd een beetje een held, terwijl hij hier een vreemde tiran geworden is. Dat is ironisch, want toen Karel in 1517 voor het eerst naar Spanje ging, vond men hem daar veel te ‘Vlaams’ en klaagde men over de macht van zijn Nederlandse raadgevers.
Karels standbeeld staat tegenwoordig in het Prinsenhof, maar het staat daar niet alleen. Naar aanleiding van de Karelfeesten in 2000 werd net buiten de Donkere Poort (het enige deel van het Prinsenhof dat nog rechtop staat) een standbeeld van een stropdrager geplaatst, die uitdagend in de richting van Karel kijkt. Dat standbeeld is nogal controversieel, vooral omdat zijn piet (excuus: geslachtsdeel) nogal expliciet zichtbaar is. Ongeveer gelijktijdig werd onder de Donkere Poort een bord aangebracht met de namen van de Gentenaars die van 1530 tot 1555 omwille van hun geloof terechtgesteld werden.
Tijdens de regering van Karel maakten de Gentenaars zich nochtans niet de minste zorgen over het beschermen van protestanten, op dat idee kwamen ze pas later. En de stropdragers met wie de huidige Gentenaars zich identificeren, waren niet trots of uitdagend. Ze waren straatarm en vernederd. De deftige Gentenaars hadden zoveel angst van de sociale eisen van deze stropdragers dat ze hun eigen opstand in de steek lieten en schuilden achter de brede rug (en kaak) van Karel. Dat wordt -wat dacht u- subtiel verzwegen.
Een selectief geheugen is natuurlijk de basis van elk positief zelfbeeld, maar ter compensatie kunnen we misschien ook een piepklein herdenkingsbordje plaatsen aan het Gravensteen waar de opstandelingen Lieven Piens kop afkapten?
WOUTER BRAUNS
Met dank aan Arthur De Decker
Het standaardwerk over Karel en de opstand is: J. DECAVELE ed., Keizer tussen stropdragers, Leuven, 1990.
