



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Roltrap naar de hemel
VERHAAL
Sinds de dag dat de burgemeester is verhuisd, is niets meer zoals vroeger in onze vergeten straat. Zolang de burgemeester hier resideerde, zou geen enkele sluikstorter het in zijn blote hoofd hebben gehaald om overdag zijn camelot op de hoek van onze straat te dumpen. De burgemeester bevond zich namelijk altijd overal tegelijkertijd: in zijn Zetel, op de Aarde en in zijn Deurgat. Met zijn bulderstem die het aantal decibels evenaarde van een roedel zeekoeien op de vlucht voor een misthoorn, verdreef hij elke potentiële sluikstorter uit de straat. Sinds de dag dat de burgemeester is verhuisd, moet ik geen oordopjes meer dragen om te kunnen slapen maar zijn ook de onverlaten opnieuw begonnen met hun sluikse activiteiten.
Ik ben zes jaar naast Gustaaf, zo heet de burgemeester met zijn jongensnaam, gehuisvest geweest. Hij is er nooit in geslaagd om mijn exotisch klinkende naam te onthouden, laat staan uit te spreken, hij noemde me steevast ‘manneken’. Af en toe sprak hij me ook aan als ‘mijnheer de professor’, één keer zelfs, monkelend, als ‘baron Von Munchhausen’, toen ik mij op een blauwe maandag buiten had gewaagd met een soortement van aktetas in mijn hand, in mijn beste jas, en ik voor de gelegenheid mijn haar had gekamd omdat ik naar de Ramen moest om een aanslagbiljet van het jaar 2003. “Zitten daar boeken in of bakstenen, manneken?”, vroeg hij bij die gelegenheid met blinkende pretoogjes. Gustaaf was uit een werkmansbroek geschud, stond op zijn veertiende al in de textielfabriek. Mensen die een plastron en een pak droegen, behoorden niet tot zijn stand en white collars konden a priori geen goede bedoelingen met hem hebben.
Vorige week ben ik op theevisite geweest bij de burgemeester in zijn nieuwe onderkomen. We hebben blikjes Cara pils gedronken en naar Kuurne-Brussel-Kuurne gekeken op zijn versleten televisietoestel, zoals vroeger. De burgemeester woont nu aan de rand van de stad in een parkje, heel landerig, geen Turkjes om tegen uit te vliegen als ze hun bal tegen zijn raam aanschoppen, kwetterende mussen in de struiken in plaats van loens ogende schabbernakken die hun ongeselecteerde restafval voor zijn gevel willen deponeren. Ook geen overjaarse hippiebuurman die om de vijf voet om tabak en blaadjes komt schooien of om een pleister omdat hij weer eens met zijn blote voeten in een punaise is getrapt, en die bij nacht en ontij zeven keer na elkaar loeihard ‘Stairway to Heaven’ van Led Zeppelin door zijn boxen jaagt en de lyrics meebrult.
“Manneken, manneken”, zei hij, “ge kunt niet geloven hoe rustig het hier is.”
Omdat ik zo geleerd ben, of toch doe alsof, mag ik het papierwerk van de burgemeester verzorgen, wat voor mij een hele eer en een waar genoegen is. De burgemeester heeft een half jaar geleden een aanvraag ingediend om een huursubsidie te bekomen, en daarvoor is enig geduld aangewezen, alsook een kopieerapparaat. Alles leek bijna in kannen en ketels, maar nu had zijn correspondent hem schriftelijk laten weten dat zijn aanvraag niet verder kon worden afgehandeld, aangezien hij niet in het bezit was van een 66 0/0, een recent attest dat de handicap van de burgemeester bevestigde. Misschien verkeerde de betreffende ambtenaar in de veronderstelling dat de burgemeester met Sunair naar Lourdes was geweest. En dat zijn linkeronderarm er aldaar op miraculeuze wijze terug was aangegroeid of in een goddelijke schicht uit zijn elleboog was gefloept. Hij kon daarom geen genoegen nemen met het medisch rapport betreffende de gevolgen van het werkongeval van burgemeester Gustaaf, dat diep uit de vorige eeuw dateerde en hem definitief arbeidsongeschikt maakte.
Wie zal het zeggen? Het zijn niet alleen de wegen van god die ondoorgrondelijk zijn, die van minister van Wonen Marino Keulen zijn eveneens niet te onderschatten.
Het zij zo, we geven de strijd niet op en zullen niet versagen, het gaat er in de eerste plaats om dat de molen van Holle, Bolle Gijs (papier hier!) onverwijld draaiende blijft. Dus zijn de burgemeester en ik begonnen met onze queeste naar een formulier 66 0/0 en heb ik in afwachting een verzoekschrift ingediend om te beletten dat het dossier van de burgemeester onontvankelijk wordt verklaard vanwege het ontbrekende stuk.
Ofschoon de burgemeester daar proper woont, aan de rand van het park, met tetterende mussen in groene bomen, is het toch niet allemaal hout wat blinkt. In zijn vorig onderkomen rook het niet bepaald naar de wilde frisheid van limoenen. Maar het onophoudelijke stankveld dat in en rond zijn tweekamerflatje zweeft, is zelfs voor een snipverkouden neushoorn in het hartje van de winter nauwelijks te verdragen. Achter het park bevindt zich namelijk een familiestokerijtje waar één of andere – naar ik hoop streekgebonden - alcoholische drank wordt gebrouwen, ik vermoed naar een aloud recept op basis van rottende aardappelschillen en varkenslevers die men drie jaar in houten vaten in de zon laat gisten.
Of hij daar geen last van heeft in de zomer? Weer die triomfantelijke grijns. “Maar manneken”, zegt hij, “Zomer of winter, sinds mijn accident ruik ik juist niks meer”.
LIEVEN DEFLANDRE
