



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Making sense in the city
Making sense in the city. Dat is de titel van het ambitieuze symposium dat door het Centrum voor Interculturele Communicatie en Interactie (CiCi) wordt opgezet. Het moet een vierdaagse kruisbestuiving worden tussen kunstenaars en antropologen uit Noord en Zuid over thema’s als ‘stedelijkheid’ en ‘zingeving’. Wij spraken met de initiatiefnemers, Prof. Rik Pinxten en Dr. An Vandienderen.
> Waarom is het voor antropologen interessant om deze thema’s te onderzoeken?
Pinxten: “Als je mensen bestudeert, zie je meestal twee manieren terugkeren waarop zin of betekenis wordt gegeven aan het leven. In het ene geval wordt iemands identiteit bepaald door zijn afstammingslijn. Het andere kader is het dorp of de stam, de kleine controlegroep waarbinnen iemand gevormd wordt. Je bent dan wie je bent omdat je in die groep geboren bent en die waarden hebt meegekregen. Met de verstedelijking komen deze identiteitsvormers echter wereldwijd onder druk te staan. Daarom vroegen we ons af wat het leven vandaag, binnen een verstedelijkte wereld, ‘zinvol’ maakt. De onpersoonlijkheid neemt toe, mensen plaatsen zich in zelfgekozen relatienetwerken en maken zelf een pastiche van waarden. Wat betekent dat? Leidt dat tot chaos, zoals reactionaire en fundamentalistische bewegingen beweren? De opkomst van een heel aantal retrobewegingen hangt samen met deze wereldwijde verstedelijking. Ze hanteren categorieën die er binnenkort niet meer zullen toedoen. Het lijkt wel een nieuwe reformatie: terwijl in de steden nieuwe tijden aanbraken en de handel en industrie opkwamen, waren de katholieken hun bloedige strijd aan het uitvechten. Misschien zijn we opnieuw aan iets dergelijks bezig, maar dan tussen de christelijke en de islamwereld… Alleen is de situatie nu wat anders: krachtige partners zoals China, India en Brazilië stappen helemaal niet mee in dat verhaal, waardoor ze ons, terwijl wij ons bezig houden met een achterhaalde strijd, fluitend voorbij marcheren. Met het symposium willen we onderzoeken welke vormen van zingeving kunnen bestaan binnen een stedelijke context.”
> Wat komen die kunstenaars precies doen bij zo’n academisch onderonsje?
Vandienderen: “Een verregaande dialoog opzetten tussen artiesten en academici is voor ons eigenlijk heel evident, vanuit de vraag ‘hoe kan je zinvol leven binnen steden?’. Kunstenaars beschikken op dat vlak over heel wat expertise. Kunstenaars citeren regelmatig academici, filosofen, antropologen, maar omgekeerd citeren academici zelden kunstenaars. Wij willen die groepen samenbrengen, omdat ze vaak met dezelfde vragen bezig zijn.
Heel wat kunstenaars laten zich nadrukkelijk in met de interculturele maatschappij. Ze richten zich tot de ‘ander’, wie dat ook mag zijn, en daartoe ontwikkelen ze werkvormen die heel inspirerend zijn. Eigenlijk willen we gaan kijken hoe kunstenaars erin slagen om met die ‘ander’ om te gaan, hoe ze de interculturele samenleving binnenhalen. Voor veel organisaties is het een noodzaak, want zij voelen bijvoorbeeld dat hun repertoire niet meer aansluit op de omgeving. Een organisatie als de KVS probeert daarom de buurtbewoners te betrekken. Maar kunstenaars doen niet alleen dat. Ze stellen ook hun eigen repertoire in vraag. Het interculturele binnenbrengen betekent niet enkel de kleurtjes tellen die in de zaal zitten, het gaat veel verder dan dat. Er wordt gezocht naar een manier om verschillende referentiekaders te introduceren, waardoor ook de eigen werking permanent ter discussie staat.”
> Denk je dat er binnen de kunstenwereld een oprechte interesse bestaat om te interculturaliseren, of stelt de huidige legislatuur daar misschien gewoon veel middelen voor ter beschikking?
Vandienderen: “Dat is wel een cynische vraag. Onze ervaring is dat het niet een manier is om geld binnen te halen, maar dat de drang om zich aan te passen aan de multiculturele samenleving wel degelijk heel sterk leeft binnen al deze projecten. We hebben met CiCi willen achterhalen ‘hoe’ kunstenaars dat doen, hoe ze processen opzetten, en met dat doel hebben we deelgenomen aan activiteiten en repetities bijgewoond … We hebben vastgesteld dat kunstenaars een bepaalde expertise opgebouwd hebben. De KVS zette bijvoorbeeld een project op over leven en werk van Leopold II. Iemand merkte op dat je zo’n voostelling niet meer kan opzetten zonder daar ook Congolezen bij te betrekken. Toen heeft men enkele Congolezen gevraagd wat ze ervan vonden, en bleek dat het hen eigenlijk niet interesseert om telkens opnieuw het verleden op te rakelen. Sommige projecten slagen er in op die manier een coauteurschap op te zetten: er is plaats voor interactie, reflectie, nadenken over je eigen project.”
> Er wordt vaak geklaagd dat ‘allochtonen’ niet participeren aan culturele activiteiten.
Vandienderen: “Dat is waar. Maar eigenlijk is het probleem dat men meestal afrekent op basis van het product. Het eindproduct en wie daarnaar komt kijken is geen juist middel om de participatie te evalueren. Je moet kijken naar de kwaliteit van het proces. In het proces van het maken moet er ruimte zijn voor contextualisering, jezelf in vraag stellen,… Publiekswerking gaat niet alleen over ‘zoveel mogelijk mensen binnenhalen’, maar het gaat over hoe je zorg en respect kan tonen voor anderen, in welke mate er ruimte is voor feedback. Het heeft geen zin om mensen binnen te halen en ze dan te shockeren, waarna je ze nooit meer terug ziet.”
> Zouden kunstenaars kunnen bijdragen aan nieuwe vormen van burgerschap?
Pinxten: “De mens kan niet leven zonder creativiteit. Het probleem is echter dat de arbeidsverdeling binnen het kapitalisme geleid heeft tot een steeds verregaander ‘professionalisering’ waarbij mensen eigenlijk, hoe langer ze geschoold zijn, meer en meer dreigen te ‘idiotiseren’. We zijn bezig met het opleiden van vakidioten die allemaal een specialisme hebben, we verdelen de maatschappij in allemaal segmentjes. Hierdoor worden we kwetsbaar. We genereren burgers die enkel nog hun eigen werk kunnen doen. De creativiteit moet er aan geloven. We weten niets van elkaar en kunnen niet meer met elkaar spreken. Je ziet die specialistische opdeling binnen de hogescholen en universiteiten, maar ook in tv-programma’s waarin ‘de wetenschapper’ en ‘de kunstenaar’ hun mening mogen komen geven. Er zijn geen mensen meer die algemene vragen stellen. We laten ons platwalsen door de zogezegde wetten van de vrije markt, met haar professionalisering en modernisering, terwijl we als burgers binnen een stad of een regio de ruimte zouden kunnen en moeten nemen om ‘nee’ te durven zeggen, ons eigen ding te doen. Sommige kunstenaars belichamen nog die opstandige burger.”
> Wat zou een creatieve definitie van burgerschap kunnen zijn?
Pinxten: “Voor mij is burgerschap het recht om zich zoveel mogelijk te ontplooien. Als je in een structuur - bijvoorbeeld een stad of een staat - leeft waarbinnen je systematisch gefrustreerd wordt om jezelf te ontplooien, dan is die maatschappij onwaardig. Neem het migrantenstemrecht: gedurende dertig jaar kreeg een groep mensen die hier wonen en werken en belastingen betalen, geen politieke rechten en konden ze zich niet konden ontplooien… Een staat die dat doet gaat in de fout. Men frustreert die groep systematisch, omdat hij in zijn burgerschap gehandicapt wordt. Burgerschap moet echter ook aangeleerd worden. Er zijn een aantal basisregels, zoals gelijkheid, vrijheid en solidariteit, zonder dewelke je een maatschappij niet kan in stand houden. Op dat vlak is er geen persoonlijke vrijheid: iedereen moet die basisregels respecteren, maar daarboven is iedereen vrij.”
> Maar zelfs over die basisregels van vrijheid, gelijkheid en solidariteit is er geen eensgezindheid. Hoe interpreteer je ze? Hoe kom je daarover tot een consensus?
Pinxten: “Er zijn toch wel basisafspraken die iedereen onderschrijft. Je kunt dat gemakkelijk zien door de zaken in het negatief te stellen. Stel bijvoorbeeld dat kinderarbeid een goede zaak is, of dat je voor de vrouw aan de haard bent. Zo’n uitspraken shockeren mensen, omdat ze niet (langer) behoren tot ons waardepatroon. Impliciet zijn de basisregels dus wel aanwezig. Maar zoiets vraagt wel om een opvoedkundig project, een taak van algemene, politieke vorming die media en scholen nu veel te weinig opnemen.”
> Het symposium gaat over zingeving in een verstedelijkende wereld. Hoeveel zin heeft het om ons zorgen te maken over de toekomst?
Pinxten: “De problemen zullen vooral liggen op het gebied van transport, luchtvervuiling, de ongelijkheid tussen de arme en rijke gebieden die steeds schrijnender wordt. Je krijgt volksverhuizingen, de gezondheidsrisico’s stijgen, … Het probleem van herverdeling kunnen we niet langer ontwijken en we kunnen ook niet meer denken dat alles wel in orde komt als we onze technologie uitvoeren. We denken nog steeds dat we de wereld kunnen buiten houden: een muur bouwen aan de grenzen en het probleem is opgelost. Dat is het niet. Je moet de bevolking voorbereiden. Maar dat gebeurt niet. Programma’s als Toast Kannibaal blijven de ander stereotyperen als de primitieveling. Alsof ze achterlijk zijn en ons nog moeten ‘bijbenen’.”
Vandienderen: “Je kunt als kijker nooit inschatten wat de constructie is geweest. Je weet niet wat er gemanipuleerd is. De makers beweren dan wel dat ze authenticiteit nastreven, maar een documentaire is altijd een constructie, er zit altijd een ideologisch kader achter. Zo’n programma’s bestendigen het beeld van het moderne Westen en het achterlijke Zuiden. Abdu Maliq Simone, die ook naar het symposium komt, doet onderzoek naar stedelijkheid in Afrika en zegt dat het op basis van onze Westerse categorieën heel moeilijk is om in te schatten wat daar gebeurt, omdat die daar eigenlijk weinig toepasbaar zijn. We denken dat het er één en al chaos is, maar de stad functioneert wel degelijk.”
MARLIES CASSIER EN KOEN DE STOOP
Meer weten over het symposium?
